Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
elders zien wij veel meer, d. i. meermalen , dikwijler, dat
almachtig van God den Vader gezegd wordt, dan van God
den Zoon of God den H. Geest. Waarom is ditP Niet
omdat God de Vader machtiger is, wezenlijk grooter macht
heeft dan God de Zoon of God de H. Geest; immers omdat
de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk
wezen hebben, daarom zijn zij alle drie even machtig. (5« V.)
Maar God de Vader wordt meer malen dan God de Zoon
of God de H. Geest genoemd almachtig, omdat Hem, God
den Vader, de macht bijzonder, om bijzonder eigenaardige
reden, in de Christelijke Leering wordt toegeschreven.
En welke is die reden ? Dezelfde als waarom God de Vader
de eerste Persoon der H. Drievuldigheid is, nl., omdat Hij
het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke
Personen is. Immers in het woord „ beginsel, oorsprong'*
ligt het denkbeeld van „macht" nit zijn aard opgesloten. V.)
In gelijken zin en om gelijke reden wordt in de Christelijke
Leering de Wijsheid bijzonder toegeschreven aan God den Zoon
nl., omdat Hij van God den Vader voortkomt door het ver-
stand, en de Heiligheid aan God den H. Geest, omdat Hij van
den Vader en den Zoon voortkomt door de liefde; omdat
de H. Geest de oneindig volmaakte liefde is van den Vader
en den Zoon, (5 V.), in welke liefde Gods Heiligheid gelegen
is, en waaruit ook onze heiligmaking voortkomt. (Vgl. 13^
Les, 7® V.) Want krachtens die liefde bemint God al wat
ook in ons goed is, haat Hij al wat in ons kwaad is, en
straft of beloont het naar verdienste.
De vier volgende V. zijn in de voorgaande genoegzaam
verklaard.
7 V. Waarin zijn de drie goddelijke Personen
van elkander onderscheiden ?
Ä. Hierin , dat de eene Persoon van den anderen
voortkomt.