Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
Zij ii verre boven ons zwak verstand verheven. Wij moeten het
hier op aarde vastelijk gelooven, en 't is ook redelijk, dat
wij het zonder den minsten twijfel gelooven , omdat God dit
mysterie geopenbaard heeft, en de H. Kerk het ons voor-
houdt te gelooven. (Vgl. Les § 1.)
In dit leven kunnen wij uit de goddelijke openbaring, die
vervat is in de H. Schriftuur en de goddelijke overlevering
(4e Les V.), bewijzen, en in den Hemel zullen wij zien,
dat het waar is ; maar zelfs daar, in den Hemel, zullen wij
niet begrijpen, hoe het is, omdat het boven *smenschen ver-
stand , begrip verheven is.
Hoe onnoozel stellen zich dus degenen aan, die, in hunne
verwaandheid, durven zeggen : Wat! H. Drievuldigheid! Die
strijdt tegen *s menschen natuurlijk verstand. Één God in
drie goddelijke Personen I onzin. Want H. Drievuldigheid
beteekent, dat in God één en drie hetzelfde is. Wat dient
hierop geantwoord ? Me dunkt, eenvoudig weg: 1° Waarlijk,
vriend , gij kraamt onzin uit. 2» Gij verdraait de leer der
H Kerk. 3« Gij beoordeelt iets, dat hoven uw verstand i&
en slaat er dus naar als een blinde naar een ei. Verstondt
ge het woord „Drievuldigheid" of „Drieëenheid", dan zoudt
ge zoo niet raaskallen. Immers, gelijk we reeds zeiden,
beteekent „Drievuldigheid" een wezen, dab onder zeker
opzicht, één, en onder een ander opzicht, drievuldig is.
Dat is geen onzin. Daar ligt geen tegenspraak in. Dat wil
niet zeggen , dat één en drie hetzelfde is. Onze ziel, b. v.
(of gelooft gij misschien ook niet aan 't bestaan uwer onstof-
felijke, onsterfelijke ziel?... Ware het zoo, dan basta ! want
met een redeloos wezen valt niet te redeneeren. Gelooft ge
er aan, wat ik voor uwe eer en waardigheid als mensch moet
veronderstellen, dan zet ik mijne vergelijking door en zeg:)
Onze ziel is maar één in wezen , maar in die ééne ziel zijn
drie krachten , vermogens, te onderscheiden : verstand, ge-
heugen en wil. Onze ziel is dus in zeker opzicht één, nl.,
in haar wezen , en onder ander opzicht, drievuldig, nl. ^