Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
eeuwig in het hellevuur? Dus waar moest ik thans zijn? —
Hetzelfde kan men zich voorstellen van het vagevuur, als
men slechts kleine zonden bedreven heeft.
2" Den heme'> en de gelukzaligen eeuwig gelukkig in God!
En helaas, voor mij is die schoone hemel gesloten! En
waarom P Zou ik nu dwaas genoeg zijn de zonden , waar-
door ik den hemel verlies, de hel verdien — het vagevuur
voor kleine zonden — nog te beminnen ? Zou ik voor een
oogenblikkelijk zondig genot, voor een vergankelijk goed of
voordeel een eeuwig geluk willen verliezen, een eeuwige
straf willen inloopen P
3o Stelden zij zich den Calvarieberg voor; of beschouwden zij
Christus gegeeseld, met doornen gekroond, zijn kruis dragend,
aan het kruis genageld , stervende voor onze zonden. En
dan, zou ik nu de zonden, zulk een kwaad, nog beminnen?
Zou ik Christus door nieuwe zonden al dat lijden , zooveel
in mij is, opnieuw willen aandoen? Op zulke wijze, kin-
deren , wekt men in zich haat en verfoeiing der zonden op.
Om echter een volmaakt berouw over de zonden te krijgen
is het niet voldoende daarover bedroefd te zijn uit vrees voor
de straf, maar men moet bedroefd zijn God door de zonden
beleedigd te hebben, omdat Hij oneindig goed in zich zelven
is ; met andere woorden die droefheid moet voortkomen uit
liefde tot God. Het verschilt veel of een kind bedroefd is
zijn vader beleedigd te hebben, omdat het bang is voor straf,
of omdat zijn vader, dien het bedroefd heeft, zoo goed is.
Daarom denkt men ten laatste aan Gods oneindige goedheid,
die men door de zonden beleedigd heeft.
God, ja is oneindig in zijn wezen , oneindig in zijn eigen-
schappen, Hij is oneindig heilig, oneindig barmhartig,
oneindig rechtvaardig , oneindig schoon en dus oneindig be-
minnenswaardig. Is het nu laag, kinderen, iemand die
goed is, te beleedigen , wat is het dan. God, oneindig goed,
door de zonden te vergrammen , te onteeren I Dat is een
oneindig kwaad.