Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
536
Mea roept bijzonder den bijstand zijner Patronen of be-
schermers in, omdat dezen ons in het doopsel door den
Priester in naam der Kerk gegeven zijn om ons bijzonder te
beschermen en te helpen. (Vgl. 32Bte les, ßi" V.)
Eindelijk bidt men: Dat de Heer ons geliese te zegenen^
tegen alle kwaad te beschermen, en tot hei eeuwig leoen te gelei'fen;
en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede
rusten, Amen.
Men begint en eindigt met het maken van het teeken des
H. Kruises. (Vgl. Les , T^e V.)
Waarom vooral betaamt het een christen mensch *s morgens te
bidden ?
Ten om daardoor die groote waarheid te belijden, dat
Gód ons eerste begin en ons laatste einde is.
Ten 2de, om God de eerstelingen van iederen dag op te
dragen.
Ten 3de ^ om van God den zegen over onze werken en be-
vrijding van zonden af te smeeken.
Ten 4de, om zoo al onze werken verdienstelijk te maken.
AVONDGEBED.
Het begin is hetzelfde als van het morgengebed.
God zal ons eens over al onze gedachten, woorden en
werken oordeelen, en om dat oordeel gunstig te maken ,
moeten wij eerst ons zelven goed oordeelen in het gewetens-
onderzoek ; doch om dat goed te doen, hebben wij Gods
genaden noodig en hierom verzoeken wij , zeggende: Kom ,
O H. Geest, verlicht mijn verstand om mijne zonden te kennen, en
geef mij de genade van een oprecht berouw over dezelve. (Vgl.
45«te Les, 7de V.)
De genade, die men hier vraagt, is eene genade van licht
en van droefheid.