Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
elkander volgt, dat al die duizenden en millioenen sterren
hunnen geregelden loop hebben, enz.
Uit dit alles blijkt dus duidelijk, dat er een Opperwezen,
een God, een Schepper bestaat.
Dat er maar één God is ^ en kan zijn, blijkt hieruit, dat
God Aeé volmaakte wezen is.
Bet volmaakte wezen kan maar één zijn. Want waren er
twee , dan zou geen van twee meer het volmaakte wezen zijn.
De een zou noodzakelijk, om van den andere te verschillen,
in zijn wezen of natuur eene volmaaktheid hebben , die de
andere niet bezat, en dus had deze alle volmaaktheden niet,
en was bijgevolg geen God. Bovendien hoe zou de wereld
kunnen bestierd worden, zoo er meerderen vrij en opper-
machtig over alles beschikken konden wat zij wilden P
Echter kennen wij God , zijn wezen , zijne eenheid en vol-
maaktheden veel beter en duidelijker door het geloof, de
openbaring ; dikwijls toch spreekt God in de H. Schriftuur
over zich zeiven , zijne eenheid en volmaaktheden, of eigen-
schappen.
Door de natuur of het wezen van God verstaat men een
zijn , een wezen van zich zeiven, zoo volmaakt, dat het vol-
strekt noodzakelijk is, is van alle eeuwigheid. Zoo sprak God
tot Mozes, wanneer men vragen zal: wie heeft u gezonden,
dan zult ge antwoorden : DIE IS , zendt mij tot u. Deze
verhevene uitdrukking beteekent, dat God bestaat in den
hoogsten zin , en bij gevolg zonder begin en zonder einde.
Dat er dus voor Hem geen verleden, geen toekomst is, maar
slechts een altijddurend tegenwoordig, dat Hem alleen het
eigenlijk zijn, en het zijn door zich zeiven toekomt, terwijl al
het overige voortdurend wordt en vergaat, en met Hem ver-
geleken , moet gezegd worden als niet te zijn. Hij alleen,
Die is, en van zich zeiven is, geeft het bestaan aan alles ,
Hij is Heer van leven en dood.
Door eigenschappen verstaat men hoedanigheden, die God