Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
530
de heerlijkheid der maan, en eene andere de heerlijkheid der
Bterrendie ook wederom in glans en Inister van elkander
onderscheiden zijn; „Want de eene ster verschilt in heerlijk-
heid van de andere. Zoo is het ook met de verrijzenis der dooden"
Maar, zal wellicht iemand vragen, acht gevend op eene
kwaal, die in deze wereld algemeen heerscht in alle standen
der maatschappij , zelfs tnsschen broeders en zusters van een
en hetzelfde huisgezin , ■— maar, zullen dan de zaligen,
omdat zij niet allen in heerlijkheid gelijk zijn, elkaar niet
benijden? Zal de groote verscheidenheid in heerlijkheid onder
de zaligen geen afgunst verwekken P
Ik antwoord beslist: Neen. Want l® kon er in den hemel
tusschen de zaligen afgunst bestaan , dan was de hemel de
hemel niet meer; dan was de hemel niet meer de plaats,
waarin voor eeuwig alle goed huisvest en waaruit alle kwaad
voor eeuwig is buitengesloten. Dan zou in den hemel eigen-
lijk niemand gelukkig kunnen zijn; want de laagsten zouden
het geluk benijden van hen , die een weinig hooger in heer-
lijkheid verheven zijn; dezen zouden op hunne beurt afgunstig
zijn op het geluk van hoogeren , en zoo in opklimmende rij
tot de hoogsten toe , terwijl de hoogsten het geluk der fl.
Maagd zouden benijden!____ De ongerijmdheid, onzinnig-
heid , dwaasheid , waartoe men moet vervallen , indien men
ook maar de mogelijkheid aannam , dat er in den hemel
tusschen de gelukzaligen afgunst kan bestaan, geeft reeds een
voldoend antwoord op de gestelde vraag, en eene afdoende
reden om met zekerheid te verklaren : In den hemel bestaat,
ja kan geene afgunst bestaan tusschen de zaligen onderling,
hoe verschillend of onderscheiden zij ook zijn in heerlijkheid.
Want
2° Iedereen weet, dat hij beloond en verheerlijkt is naar
zijne persoonlijke verdiensten.
Iedereen is daarom in den hemel met zijn eigen graad van
glorie of heerlijkheid volkomen tevreden, omdat deze over-