Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Dat er in de Godheid drie personen zijn, leeren we in de
volgende les, alsook waarom God de Vader de eerste per-
soon van de H. Drievuldigheid is, en waarom God de Vader
meer genoemd wordt almachtig dan God de Zoon of God de
H. Geest.
En in de 7"!« les leeren wij , waarom God genoemd wordt
almachtig, alsmede waardoor God zijne almacht het meest
getoond heeft, nl. door het scheppen van hemel en aarde.
Daarom staat er bij : ik geloof in God, den Vader almachtig,
Schepper van hemel en aarde.
2 V. Is er meer dan één God?
A. Neen , er is maar één God.
Dat er een God bestaat, blijkt duidelijk uit de natuur. Wij
behoeven maar eens te vragen, waar b. v. de boomen en
planten vandaan komen.
Van het zaad.
En dat zaad P Weer van andere boomen en planten , en
zoo zouden wij terug kunnen gaan, totdat wij aan de eerste
boomen en planten kwamen, en dan nog blijven vragen : Wie
heeft die gemaakt P Die konden er toch ook van zelf niet
komen ; en men zou noodzakelijk tot antwoord moeten krij-
gen : Dat heeft God gedaan. Want was er geen God geweest,
dan hadden zij er van zelf moeten komen, en een klein kind
begrijpt toch reeds, dat dit onmogelijk zou zijn. Waar
schepselen zijn , daar moet een Schepper zijn.
Wat zou men verder zeggen van iemand, die ons vertelde,
dat eene klok of horloge er van zelf gekomen was, en dat
al die radertjes er van zelf ingekomen waren F Zou men hem
niet voor gek verslijten P
Maar kan men dan wel iemand voor wijs houden, die zoude
zeggen, dat zon, maan en sterren, en de gansche natuur er
van zelf gekomen zijn; en dat dat alles juist zoo gekomen is,
dat zomer en winter, dag en nacht, enz., alles geregeld op
C 4