Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
524
aan Hem, wiens rechtgeaarde kinderen wij ons op aarde
toonden ; dat wij op God zullen gelijken in gelukzaligheid;
dat wij in zijn volmaakt geluk zullen deelen , omdat wij Hem
door het licht der glorie zullen zien gelijk Hij zV' in zich
zelven, in al zijne goddelijke schoonheid en ander volmaakt-
heden , die alle mogelijk, denkbaar goed in zich bevatten;
en dus zullen we in dit aanschouwen Gods ook eeuwig alle
goed genieten.
Maar, vraagt wellicht iemand uwer: Wat wil dat zeggen :
God door het licht der glorie zien ?
Op die vraag antwoord ik ten Niemand ter wereld
kan met volkomen zekerheid zeggen, wat het beteekent. God
door het licht der glorie aanschouwen , zien. Dit antwoord
is een onmiddellijk gevolg van hetgeen we zooeven zeiden ,
en door de woorden van de HH. Apostelen Paulus en Joannes
bewezen; nl., dat het wezenlijk geluk der zaligen alle men-
schelijk begrip op aarde te boven gaat. Zeide diensvolgens
de groote H. Augustinus te recht: „Het is gemakkelijker te
zeggen, wat in den hemel 7net is, dan wat daar wel is " —
dan antwoord ik op de gestelde vraag :
Ten God zien door het licht der glorie wil niet zeggen,
a) Gods aanschijn aanschouwen met de oogen des lichaams,
met onze lichamelijke oogen. Want God is een ongeschapen
geest (5de Les, 3''« V.), en kan dus door geene stoffelijke oogen
gezien worden, evenzoomin als de Engelen, die zuivere,
maar geschapen geesten zijn (7de Xe^, 6de V,), of 's menschen
ziel, die ook een geschapen geest is. (b^e Les, S^te V.)
Bovendien , als onze lichamelijke oogen noodig waren om
God in den hemel te zien, dan zouden wij Hem niet kunnen
aanschouwen voor den laatsten dag des oordeels, waarop de
verrijzenis des vleesches, of van alle menschen zal geschieden.
(16de Les, 12de Yr.) Immers dan eerst zullen wij onze oogen
terugontvangen. En toch weten wij door het Geloof, dat
de zielen dergenen, die in de liefde Gods sterven, en niets