Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
523
9 V, Wat is het grootste geluk der zaligen ?
A. Gods aanschyn te aanschouwen en in God alle
goed te genieten.
Door de vraag: Wat is het grootste geluk der zaligen? wil
de Catechismus ons te verstaan geven , waarin de hemelsche
glorie, het geluk des hemels wezenlijk bestaat; welk geluk
alle Engelen , Heiligen en Zaligen gemeen hebben. En zijn
antwoord luidt: Het grootste, m. a. w., het wezenlijk geluk
der zaligen bestaat in Gods aanschijn te aanschouwen, d. w. z.,
in God door het licht der glorie te zien van aanschijn tot
aanschijn (I Br. aan de Kor. XIII. 12) gelijk Hij is in zich
zelven; in Gods wezen te aanschouwen en God te zien in al
zijne volmaaktheden (I Br. v. d. H. Joan. III, 2.) en dus in
God alle goed te genieten, alle goed te bezitten wat ons hart
begeeren, wat ons volkomen gelukkig maken, verzadigen kan.
„Heere," zegt David, (Ps. XVI. v. 15.) „door gerechtigheid
zal ik voor uw aanschijn verschijnen, verzadigd worden, als
uwe heerlijkheid zich vertoonen zal."
De woorden en de zin van dit Antw. van den Catechismus
zijn duidelijk genoeg; maar de zaak er door aangeduid: het
wezenlijk geluk der zaligen , gaat alle menschelijk verstand
op aarde verre te boven.
Het is er mede gelegen, gelijk er geschreven staat [Isa.
LXIV. 4, Ie Br. aan de Kor. II. 9.): Geen oog heeft gezien,
en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is op-
gekomen , wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben."
„Zeer geliefden! zegt in gelijken zin de H. Apostel Joannes
(T. a. p) , nu y in dit leven , zijn wij alreeds waarlijk aange-
nomen kinderen Gods, en wat wij, eenmaal, in het andere
leven zijn zullen, m. a. w., de onbegrijpelijke gelukzaligheid,
die ons voorbereid is in den hemel, indien wij ons hier als
kinderen Gods gedragen, is nog niet openhaar geworden." In-
middels „weten wij uit de kennis, welke het geloof ons geeft,
dat, wanneer het openhaar zal zijn, wij gelijkvormig zullen zijn