Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
522
verteert, niet verbrandt, en onnitblnechbaar ia, niet kan
nitgedoofd of geblnscht worden. In dien zin leert dan ook
de Catechismns, dat de verdoemden in de hel ten lijden
den brand van het smartelijk pijnigend en onuitbluschbaar vuur.
(Vgl. Mare. IX. 45.)
En ten 5^®, bovenal de ellendige eeuwigheid.— Tn eeuwigheid,
zonder einde, voortdurend, altijd, altoos, zonder eenige hoop
of vooruitzicht op verlossing, de uitgelegde pijnen van schade
en gevoel ondergaan , is het toppunt van ellende! Grootere
ellende is niet denkbaar! Daarom zegt de Catechismus zeer
te recht: Bovenal de ellendige eeuwigheid! als zeide hij m. a. w.:
het ellendigste van al wat de verdoemden in de hel zullen
lijden is, dat de pijn van schade en van het eeuwige vuur
nimmer of nooit zal eindigen, ja zelfs niet verminderd of
onderbroken worden. Na honderd , na duizend, na honderd
duizend , na millioenen , na duizend millioenen jaren zal dit
hun lijden nog altoos en immer even groot zijn als op het
eerste oogenblik , waarop ze in de hel neerstorten. Bovenal
ellendige eeuwigheid in de hel!
Alwie met eenigen ernst de vijf hier opgenoemde straffen
der hel heeft overwogen, zal met mij wel moeten besluiten :
Wat is eene doodzonde dan toch een ontzettend kwaad! Wat
overgroote boosheid ligt er in opgesloten, doordien een uit
zijn aard goede, barmhartige God, krachtens zijne heiligheid
en rechtvaardigheid, alwie ook maar in staat van ééne dood"
zonde sterft, tot die ellendige eeuwigheid moet verwijzen!
Alwie, terwijl hij die straffen met mij naging, in zijn hart
moet getuigen: Ik ben nu in staat van doodzonde, moet
verder, als hij nog eenig geloof heeft en zijn gezond verstand
gebruikt, het vaste besluit maken om toch dadelijk een vol-
maakt berouw af te smeeken, en zoodra mogelijk eene goede
Biecht te spreken , waardoor wij vergiffenis der zonden en
minstens kwijtschelding der eeuwige straffen verkrijgen (vgl.
35"'® Les, 3'ic en —23"^^ V.), in het recht op den hemel,
in de zoete hoop op het geluk der zaligen hersteld worden.