Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
518
God door het licht der glorie te zien, smachten naar die
bron van volkomen geluk; maar door eigen schuld zijn zij
er voor eeuwig van beroofd. „ Gaat weg van Mij, gij ver-
vloekten" , nooit of nimmer zult gij mijn zaligmakend aan-
schijn genieten 1 Alzoo de eerste en grootste straf, welke
de verdoemden in de hel lijden , is de voor ons onbegrijpelijk
zware berooving van het Goddelijk aanschijn.
Behalve de pijn van schade lijden de verdoemden in de hel
nog de pijn van gevoel. Deze pijn wordt door de drie vol-
gende strafien nader verklaard. Want
Ten 2''', lijden de verdoemden, in de hel de knaging van
het geweten, m. a. w., de zelfverwijting, dat zij zoo gemak-
kelijk hadden kunnen gelukzalig worden, en nu door eigen
schuld verloren , rampzalig zijn. Door die knaging des ge-
wetens worden de verdoemden in de hel onophoudelijk,
voortdurend gefolterd. Immers van die knaging is volgens
den H. Thomas van Aquine, in figuurlijken zin te verstaan
wat bij den H. Evangelist Marcus (IX, 45) geschreven staat:
daar sterft hun worm niet. Hoe kwellend die knaging wezen
zal, is af te leiden uit het V hfdst. van het Boek der wijsheid,
waar het onderscheid beschreven wordt tusschen het lot der
rechtvaardigen, en het lot der goddeloozen onmiddellijk nadat
Christus het onherroepelijk vonnis in het oordeel over beiden
zal geveld, uitgesproken hebben. „Alsdan. — zoo lezen wij
onder meer t. a. p. — zullen de gerechtigen met groote vrij-
moedigheid daar staan tegenover degenen, die hen verdrukten,
en die hunne werken (al wat zij gedaan en ondergaan hebben
om tot de eeuwige gelukzaligheid te geraken) verijdelden",
d. w. z., als ijdel en dwaas uitkreten, (v. 1.) „Berouwheb-
bende (enkel om de verdiende straf) en van zielsbenauwdheid
zuchtende, zullen zij (die goddelooze spotters) onder zich (tot
elkander) zeggen: Dezen zijn het, die wij eertijds uitlachten
en tot een voorwerp maakten van ons spotlied, (v. 3.) Wij
dwazen, wij hielden hunnen levenswandel voor uitzinnigheid,
en hun uiteinde zonder eer. (v. 4.) Zie eens, hoe zij thans