Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
508
vrucht verbonden) en alle aanneming waardig**, d. i., waardig
geloovig aangenomen te worden, kortom geloofwaardig (1« .ßr.
aan Tim. IV : 8. 9.) Dat woord gelooft men wel in 't afge-
trokkene, in bespiegeling, doch met de werken verloochent
men het zoo menigmaal, ja meestal. Waarom ? Welk is
de hoofdreden dezer tegenspraak tusschen ons geloof en ons
gedrag P Men wil niet aandachtig over zijn uiterstendenken,
omdat men anders veel in zijn levenswijze zou moeten ver-
beteren ; zijne godsdienstplichten beter onderhouden ; zijne
booze driften, de begeerlijkheid des vleesches , de begeerlijk-
heid der oogen , heb- en geldzucht, en hoovaardij des levens
bedwingen.... Voor een wereldling, die slechts zint op
genot en pleizier in dit leven, is het aandenken van zijn
uiterste onaangenaam, akelig, bitter. Dit zegt de H. Geest
zelf: „O Dood! bitter is uw aandenken voor den mensch,
die rustig leeft in het bezit zijner goederen ; voor den man
die zonder (bekommerende) zorgen is, en wel slaagt in alles,
en wien het nog aan eetlust niet ontbreekt", die daarbij
gezond is en het leven nog kan genieten. (Eccli XLl: 1. 2.)
Doch, wat baat het, de gedachte aan zijn uiterste, aan
dood, oordeel, hel of hemel, van zich te verwijderen? Het
nadert toch met elk uur, dat slaat; het overkomt ons zeker
eens, en gemeenlijk op het uur, dat men er het minst aan
denkt. (vgl. V.) Is dus laf, zijn uiterste niet te durven,
dwaas en rampzalig het niet bijtijds te willen voorzien.
„Hoe gelukkig en wijs, zegt Thomas van Kempen, is hij,
die nu zoo tracht te zijn in zijn leven, als hij wenscht be-
vonden te worden bij zijn dood ! — Gelukkig hij, die het
uur zijns doods steeds voor oogen heeft en zich dagelijks
tot sterven bereidt. Denk des morgens, dat gij den avond
niet zult halen; en is de avond daar, durf u den morgen
niet beloven. Wees dus altoos bereid , en leef zóó , dat de
dood u nimmer onvoorbereid vinde." (Men leze Nav. v.
Christus I Boek hfdst. XXIII.) „ Zie in alle zaken op het
einde, en hoe gij voor den strengen rechter staan zult, wien