Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
506
Uit het A. van den Catechismus volgt ook duidelijk en
klaar, dat van de vier uitersten , die den mensch in 't alge-
meen genomen beschoren zijn, er ieder mensch in't bijzonder
maar drie te wachten staan : t. w., de dood en hei oordeel, en
verder één van de twee : of de hel, of de hemel. {Vgl. V.)
Albeslissend of : de hel, of de hemel! En dat mor eeuwig!
Eeuwig in den hemel of eeuwig in de hel. Geen wonder,
dat zelfs de grootste Heiligen bij het ernstig nadenken over
dit uiterste van ieder mensch in 't bijzonder, door heilzame
vrees werden aangegrepen.
De H. Ambrosius, in de eeuw bisschop van Milaan en
een der groote Kerkleeraren , wekte den haat der zonde en
de liefde der deugd voortdurend in zich op, door de ernstige
overweging, en toepassing op zich zeiven van dit uiterste
des menschen: hel of hemel is voor eeuwig mijn lot!
Zijn grondspreuk was: „Ik ala lunchen twee eeuwigheden!
Ééne van beide kan ik niet ontgaand Dus, ik zal met Gods
gratie, koste wat het koste, tijdens dit kortstondig leven,
de zonde vluchten en de deugd oefenen, om de eeuwige
straffen der hel te ontgaan, en mij het eeuwig loon en geluk
des hemels te verzekeren.
Als ook wij zóó, aandachtig onze uitersten: dood, oordeel,
hel of hemelsche glorie overdenken, dan zullen ook wij onder-
vinden , dat dit het beste middel is om in ons den haat der
zonde eu de liefde der deugd te vestigen, de zonde te vluch-
ten en de deugd te oefenen. Immers de H. Geest zegt zelf:
„ Denk in al wat gij doet op uwe uitersten en gij zult in
eeuwigheid niet (grootelijks) zondigen" [Eccl. VII. 40) Maar
daaraan hapert het bij ons. Denken wij nu en dan al eens
op de uitersten van den mensch, we doen het meestal zoo
maar als in 't voorbijgaan , vluchtig en onoplettend , als on-
nadenkend , zonder ernstig onze eigen uitersten te overwegen;
zonder ter harte te nemen, dat dood en oordeel ook ons —
en wellicht spoediger dan we verwachten — zullen overkomen