Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
502
hartigheid, naar vermogen, gnlbartig te beoefenen , dat
Christns in het Jaatste oordeel zal zeggen , dat alles wat wij
ter liefde Gods aan onzen evennaaste in diens nood gedaan
hebben, aan Hem is gedaan; en alles wat wij aan onzen
evennaaste hebben geweigerd, d. i., niet hebben gegeven,
terwijl we hem toch zelfs in zijn gewonen nood goedschiks
konden helpen, en voornamelijk als wij in zijn grooten of
uitersten nood uit liefde verplicht waren hem te helpen, dit
hardvochtig geweigerd hebben, aan Hem is geweigerd. Onze
eeuwige gelukzaligheid of verdoemenis kan dus van het al
of niet beoefenen der werken van barmhartigheid afhangen.
Immers Christus stelt hier den ganschen omvang der plich-
ten , die wij als christenen, als zijne leerlingen te vervullen
hebben , om de eeuwige straf der hel te ontgaan en tot de
eeuwige zaligheid te geraken , zelfs zóó voor, als hing ons
eeuwig geluk of ongeluk eenig, alleen af van het beoefenen
of verzuimen der lichamelijke werken van barmhartigheid.
't Spreekt van zelf, dat Jesus de beoefening zoowel als de
veronachtzaming dier werken hier enkel als tot een voorbeeld
stelt der overige plichten, die wij als christenen te vervullen
hebben om zalig te worden. Intusschen blijkt uit die voor-
stelling overduidelijk, dat Jesus, onze goddelijke Wetgever
en toekomstige Rechter, het beoefenen der werken van barm-
hartigheid bijzonder hoogschat, en dus onze eeuwige zalig-
heid of verdoemenis grootelijks afhangt van het beoefenen
of veronachtzamen dier werken. Volgen wij dus ten minste
de vermaningen, welke reeds in '6 Oud Testament, vóór de
wet van Christus , de oude Tobias zijn zoon in dezer voege
gaf: „ Geef aalmoezen van hetgeen gij bezit en wend uw
aanschijn niet af van eenigen arme : immers dusdoende zal
't geschieden , dat ook des Heeren aangezicht zich niet van
u zal af keeren. Wees barmhartig, (beoefen de werken van
barmhartigheid) zooveel als in uwe macht is (naar vermogen).
Hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, beijver u ook
dan van dat weinige graag iets mede te deelen. Want dus-