Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
t
501
Kinderen, wellicht dacht ook gij bij n zeiven, toen ge
hoordet, dat Christns zal zeggen: „Ik was krank, ziek, en
gij bezocht Mij; Ik had honger, en gij gaaft Mij te eten,
enz." is Christus dan bij ons ziek, hongerig of dorstig, enz. P
Neen ; niet in eigen persoon, maar in den persoon van arme
en kranke menschen , die Hij zijne broeders gelieft te noemen.
Alle goed, wat wij aan hen doen, rekent Christus aan zich
zeiven gedaan, d. w. z., beloont Hij als aan Hem zeiven
gedaan. Immers, „de Koning antwoordende, zal tot hen 1.0
(de rechtvaardigen) zeggen : Voorwaar zeg Ik u : voor zooveel
gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan,
hebt, deedt ge het aan Mij.^'
Welk eene boven alles machtige drangreden om ons tot
het beoefenen der werken van barmhartigheid jegens onzen
naaste aan te sporen, daar wij uit den. mond des goddelijken
Rechters zullen hooren : Wat gij uit liefde Gods aan éénen
van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij
Mij gedaan ! Ik zal het u loonen , als haddet gij het aan
Mij gedaan.
„Alsdan zal Hij zeggen ook tot hen, die aan zijne linker*
zijde zullen zijn : Gaat weg van Mij , gq vervloekten ! in het
eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.
Want Ik had honger, en gij gaaft Mij niet te eten: Ik had
dorst, en gij gaaft Mij niet te drinken; Ik was een vreem-
deling, en gij naamt Mij niet op; naakt, en gij bedektet
Mij niet; krank en in de gevangenis, en gij bezocht }A.\\niet.
Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heere 1
wanneer zagen wij U hongerig, of dorstig, of als vreemde-
ling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en dienden
U niet P Alsdan zal Hij hun antwoorden , zeggende: Voor-
waar zeg Ik u : voor zooveel gij dit niet gedaan hebt aan één
van deze geringsten , deedt ge het ook niet aan Mij, En dezen
zullen gaan in de eeuwige straffe, maar de rechtvaardigen
in het eeuwige leven."
Bgzonder moet ons dus aansporen de werken van barm-