Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
500
grooten nood zijn, en ioij hen helpen kunnen, In alle geval
moeten dns deze twee voorwaarden samengaan , opdat men
streng genomen verplicht zij aan arme menschen aalmoezen
te geven, nl., dat zij in nood zijn en wij hen helpen kunnen.
Doch de vraag daargelaten : Wanneer men streng genomen
verplicht is aan arme menschen aalmoezen te geven , moet
de beschrijving van het laatste oordeel ieder welgeaard, goed
gezind christen krachtig aansporen gulhartig en blijmoedig
werken van barmhartigheid te beoefenen jegens den naaste.
Dit bevestigt ons de laatste vraag dezer les.
8 V, Wat moet ons bijzonder aansporen de werken
van barmhartigheid te beoefenen ?
A. Dat Christus in het oordeel zal zeggen , dat
alles wat wij aan onzen evennaaste gedaan hebben ,
aan Hem is gedaan; en alles wat wy aan onzen
evennaaste hebben geweigerd, aan Hem is geweigerd.
Hoort, wat, volgens den H. Evangelist Mattheus (XXV.
V. 34, 46.), Christus in het laatste oordeel aan de rechtvaar-
digen , en aan de verdoemden zeggen zal: „ Alsdan zal de
Koning (der eeuwen) zeggen tot hen , die aan zijne rechter-
zijde zullen zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders ! neemt
bezit van het koninkrijk, dat voor u (als eene belooning
voor uwe werken) bereid is van de grondvesting der wereld
af. „ Want Ik had honger, en gij gaaft Mij te eten; Ik had
dorst, en gij gaaft Mij te drinken ; Ik was een vreemdeling , en
gij naamt Mij op ; Ik was naakt, en gij hedektet Mij ; krank,
en gij bezocht Mij ; Ik was in de gevangenis, en gij kwaamt tot
Mij" „AUdan, zoo gaat het H. Evangelie voort, zullen
de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere 1 wan-
neer zagen wij U hongerig, en spijsden U; dorstig en
laafden ÜP En wanneer zagen wij ü als vreemdeling, en
namen U op; of naakt en bedekten U P Of wanneer zagen
wij U krank of in de gevangenis, en kwamen tot U P"