Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
489
want hadde God voor onze goede werken , die wij in staat
van gratie en te zijner eere doen , ons hier op aarde de ver-
meerdering der heiligmakende gratie, hiernamaals het een wig
leven, en, indien we althans in staat van gratie sterven,
de bekoming des eeuwigen levens, en ook de vermeerdering
der hemelsche glorie (vgl. V.) niet beloofd, dan konden wij
in strengen zin, krachtens Gods rechtvaardigheid of getrouw*
heid in zijne beloften, — we zullen het aanstonds bewijzen —
zelfs voor die goede werken geen recht op den hemel doen
gelden , rechtens er geene aanspraak op maken.
Uit V. en A. blijkt dus genoeg, dat hier eigenlijk alleen
gehandeld wordt over die goede werken , waardoor wij den
hemel in strengen zin kunnen verdienen.
Uit V. en A. blijkt verder, dat die goede de kracht,
de waarde om den hemel te verdienen, allereerst hebben uit
de verdiensten van Christus.
Maar al slaan nu V. en A. hier rechtstreeks slechts op die
goede werken, waardoor we den hemel in strengen zin kunnen
verdienen, is het toch niet minder waar, dat ook de overige
goede werken, die ons eenigerwijze ter zaligheid dienen, met
name die, waardoor we in ruimen zin. gelet op de betamelijk-
heid (vgl. 7de V.), iets voor ons zei ven of voor anderen kunnen
verdienen, ja zelfs die, waardoor we voor ons zeiven of voor
anderen louter ten gevolge van Gods barmhartigheid iets
kunnen verkrijgen , dat ons of anderen ter zaligheid dienstig
is, eveneens hunne kracht daartoe hebben uit de verdiensten
van Christus.
Zonder de verdiensten van Christus waren wij, na den val
van Adam, waardoor wij in de slavernij des duivels gevallen,
en van nature kinderen van Gods gramschap geworden zijn,
(vgl. Les, 7de—9'ie V.) niet in staat, niet bekwaam eenig
bovennatuurlijk goed werk te verrichten. Maar Christus heeft
door zijn lijden en dood ons uit de slavernij des duivels
verlost (vgl. 10^« Les, 5de V.), en voor ons de heiligmakende