Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
487
onze menschelijke natnnr, uit eigen natuurlijke krachten zijn
wij daartoe niet bekwaam, niet in staat; maar onze. bekwaam»
heid is uit God, die ons door de hulp zijner dadelijke gratie
daartoe bekwaam maakt. In zijn Br. aan de Philip , II. 13.,
verklaart de Apostel nog meer uitdrukkelijk : „Hetisöoi, die
door de hulp zijner dadelijke gratie i?i u uitwerkt en het willen
en het volbrengen,'' het doen van het goede, dat dienstig ister
zaligheid, „ om zijne goedwilligheid" te toonen , uit zuivere en
vrije goedwilligheid van zijnen kant, wijl wij van onzen kant,
uit eigen natuurlijke kracht, niets, geen enkel goed werk
kunnen doen , dat ons ter eeuwige zaligheid dienstig is."
Dat ook de rechtvaardige, iemand, die in staat van gratie
is, die de heiligmakende gratie bezit, bovendien de hulp
der dadelijke gratie noodig heefc om goede werken te doen,
die hem ter zaligheid dienen , is wel geen punt van ons H.
Geloof, maar toch eene waarheid, zóó algemeen door de
Godgeleerden erkend, aangenomen, dat wij ons aan ver-
metelheid zouden schuldig maken door ze te loochenen of
in twijfel te trekken; eene leering dus, die elk rechtzinnig
katholiek voor zeker en onbetwijfelbaar houdt. En dat doet
hij op deugdelijke gronden. Want vooreerst de Schriftuur-
teksten , zooeveu aangehaald , ten bewijze dat de mensch de
hulp der dadelijke gratie Gods noodig heeft om goede werken
te doen, die hem ter zaligheid dienen, zonderen van die
noodzakelijkheid den rechtvaardige, iemand, die in staat van
gratie is, volstrekt niet uit. Christus toch sprak die woor-
den, welke we aanstonds aanhaalden: „Zonder Mij kunt gij
niets doen," tot zijne Apostelen, die, behalve Judas, allen
in staat van gratie waren. Eveneens slaan de aangehaalde
woorden van den H. Paulus: „Niet dat wij van ons zeiven____
maar onze bekwaamheid is uit God" rechtstreeks op hem zeiven
en zijne medeapostelen. En, let daar wel op, Paulus schreef
die woorden na de nederdaling van den H. Geest over de
Apostelen ; dus toen dezen reeds in de heiligmakende gratie
bevestigd waren. Dus, hebben wij, hoe rechtvaardig, hoe