Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
485
bovennatuurlijk hulpmiddel, dat God hem ter gelegener tijd geeft
(vgl. 30te Les, 9*1® V.), noodig, zonder welke dadelijke gratie
Gods hij niets goeds teb zaligheid kan verrichten.
Dat de Catechismus door de woorden : de hulp der godde-
lijke gratie hier niet de heiligmakende gratie. maar de dade-
lijke gratie bedoelt en verstaan wil hebben , blijkt duidelijk
uit de vooropgestelde bemerking. Immers de rechtvaardige
heeft de heiligmakende gratie reeds; en de zondaar kan ook
zonder deze gratie te bezitten goede werken doen , die hem
ter zaligheid dienen ; daartoe is de heiligmakende gratie niet
noodig, maar de dadelijke gratie voldoende, maar ook nood-
zakelijk voor een ieder; niemand, noch rechtvaardige, noch
zondaar, kan zonder de hulp der dadelijke gratie uit eigen
natuurlijke kracht eenig goed werk doen, dat hem ter zalig-
heid dienstig is.
Het is bepaald een punt van ons H. Geloof, dat de dade-
lijke gratie volstrekt noodig is tot alle goede werken, die
ons ter zaligheid dienen. Derede, 's menschen natuurlijk
gezond verstand , leert duidelijk genoeg , dat louter natuur-
lijke krachten geen bovennatuurlijk uitwerksel kunnen voort-
brengen. Welnu de zaligheid , waartoe we geschapen zijn ,
welke ons laatste doeleinde is, bestaat wezenlijk in God hier-
namaals eeuwig in den hemel te aanschouwen. (l^teZM, V.)
Het grootste geluk der zaligen is, Gods aanschijn te aan-
schouwen en in Gods aanschijn te aanschouwen alle goed te
genieten. (Vgl. Les, 9'ie V.)
De zaligheid is klaarblijkelijk van geheel bovennatuurlijken
aard. Dat is zoo waar , dat we ons hier op aarde van die
gelukzaligheid door ons natuurlijk verstand, ook voorgelicht
door het geloof, geen volkomen denkbeeld kunnen vormen.
Immers er staat geschreven (l»t« Br. aan de Korinth. II. 9.)
„ Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en in geen
menschenhart is opgekomen, wat God hiernamaals bereid heeft
voor die Hem (hier tijdens hun leven) liefhebben*^ en die liefde
toonen door zijne geboden tot het einde huns levens getrou-