Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
484
zelfde beteekenen aU die, waarmee het A. op de S'^e V. der
vorige les eindigt. Die V. luidde: Welke is de voornaamste
der goddelijke deugden ? En het A. De liefde; want zonder
de liefde kan noch het geloof, noch do hoop, noch eenige
andere deugd ons ter zaligheid helpen. Immers dit beteekent:
ons inderdaad in den hemel brengen, den hemel werkelijk
doen bekomen.
Verder bemerke men, dat er in de V. dezer Les spraak
was van goede werken, waardoor wij den hemel in strengen zin
verdienen als een loon. Die twee verschillende uitdrukkingen,
welke de Catechismus gebruikt in de 7^^ en de 10^« V,, geven
genoegzaam te kennen, dat er een groot verschil bestaat
tusschen die goede werken , waardoor wij den hemel eigenlijk
gezegd kunnen verdienen en de goede werken, die ons ter
zaligheid kunnen dienen. Dat groot verschil bestaat van onzen
kant voornamelijk daarin, dat wij, om door onze goede
werken in strengen zin den hemel te kunnen verdienen , ze
moeten verrichten in staat can gratie, in 't bezit der heilig'
makende gratie, der liefde Gods, zuiver van doodzonde. Dit
is geen vereischte om goede werken te kunnen doen, die ons
ter zaligheid dienen. Ook iemand, die in staat van doodzonde
is , kan met de hulp der dadelijke gratie Gods goede werken
doen, die hem ter zaligheid dienstig zijn. Ja, uit de Ss^« V.
leerden wij , dat zulke goede werken voor den zondaar het
gewone middel zijn om tot bekeering, en door bekeering ter
zaligheid te komen. Hier is nu de vraag of de mensch uit
eigen kracht, zonder de hulp der dadelijke gratie Gods, alléén
door zijne natuurlijke krachten, goede werken kan doen, die
hem ter zaligheid dienen ? En het antwoord luidt beslist:
Neen ; uit eigen kracht kan de mensch geen enkel goed werk
doen , dat hem ter zaligheid dient. Hij , de mensch , ieder-
een , rechtvaardige en zondaar, in staat van gratie of van
doodzonde, heeft daartoe, d. w. z., om goede werken te doen,
die hem ter zaligheid dienen , de hulp der goddelijke gratie,
dat wil hier zeggen, de hulp der dadelijke gratie, d. i., een