Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
480
Al wat men krachtens, onder den invloed, ingevolge van
zulke goede meening doet, doet men metterdaad ter eere Qods,
al denkt men ook niet bepaald meer op God, terwijl men
zijn werk verricht.
Hierdoor vervalt van zelf de bedenking, welke men god-
vreezende , brave menschen soms hoort maken: „ Ik heb
tijdens mijn werk bijna niet meer op O. L. H. gedacht. Ik
had het zoo druk met mijne bezigheden, dat ik aan O. L. H.
nauwelijks of niet eens meer gedacht heb. Dus ik zal met
al mijne drukte nog weinig of niets verdiend hebben voor
den hemel."
Immers, op dat bezwaar dient met den Catechismus geant-
woord : Ja wel, gij zult wel iets, zelfs veel verdiend hebben,
want, het is voldoende, dat men des morgens eene goede meening
maakt. Een werkman, die om zijn loon komt, vraagt men
niet, of hij tijdens het werk op zijn lastgever gedacht heeft,
maar wel degelijk , of hij trouw voor zijn heer en meester
gewerkt heeft, Gelijkerwijs is de hoofdvraag, waarop het
hier neerkomt, niet zoozeer of men tijdens zijn werk al of
niet op God gedacht heeft, maar of men trouw voor God
gewerkt heeft, ter eere Gods gedaan heeft wat men , ieder
volgens zijn staat, door den dag naar omstandigheden of
naar dagorde te doen had. Zoo ja, dan heeft men voor
alles , wat men in staat van gratie , en krachtens de goede
meening, des morgens gemaakt, verricht heeft, veel en groot
loon in den hemel te wachten, al heeft men tijdens zijn werk
niet uitdrukkelijk aan God gedacht.
Want, nog eens, om onze goede werken ter eere Gods te
doen , is het voldoende, dat men des morgens de goede meening
maakt alles ter eere Gods te doen. Doch, wijl hier sprake
is van den dienst Gods, die en in zich zeiven het opperste
goed en tevens ons opperste goed is (vgl. ö-^e Les, 3*1® V.),
is het onbetwistbaar zeker billijk, rechtmatig, geraden en
heilzaam, dat wij door den dag tijdens ons werk dikwijls
aan Hem denken, herhaaldelijk onze werken tot zijne eer en