Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
460
hetgeen Christns geleerd heeft en alle menschen moeten
weten en doen om zalig te worden. Om die zelfde reden
zult ge van zelf ook genoeg begrijpen, dat het opschrift dezer
les: Fan de goede werken, eveneens enkel te verstaan is van
bovennatuurlijke, waarlijk christelijke goede werken, welke de
vruchten of uitwerkselen zijn van bovennatuurlijke, waarlijk
christelijke deugden. (Vgl. en V. der vorige Les.)
De V. dezer les handelt over de verplichting van
bovennatuurlijke goede werken te doen om zalig te worden.
1 V, Is men verplicht goede werken te doen ?
A. Ja ; wij moeten daardoor onzen roep tot den
hemel verzekeren.
Kinderen, van zelf begrijpt ge, dat in deze V. door het
woordje : men „ Ib men verplicht goede werken te doen P
alléén degenen bedoeld worden, die tot het gebruik van hun
verstand gekomen zijn. Immers kleine kinderen, die'.nog niet
tot de jaren van verstand gekomen zijn , kunnen nog geene
eigenlijk gezegde goede werken doen. Dus kunnen zij ook
niet verplicht zijn goede werken te doen; want niemand is
tot het onmogelijke verplicht, gehouden tot hetgeen hij waar-
lijk niet kan.
Om het verschil tusschen deugden en goede of deugdelijke
werken nog meer te doen uitkomen , (Vgl. V. der vorige
Les), kan men hier meer ontwikkelde leerlingen met vrucht
vragen: Kunnen kinderen beneden de zeven jaren deugden
hebben, bezitten P
Mocht soms een kind hierop antwoorden : Neen ; kinderen
van dien leeftijd kunnen nog geene deugd hebben; want,
eene deugd is eene genegenheid der ziel, door welke de
mensch wel, d. i., (gelijk in de vorige les is uitgelegd ,)
eenig goed werk doet. Welnu , goede werken doen, kunnen
zij nog niet; want ze zijn nog niet tot de jaren van verstand
gekomen. Dus kunnen zij ook geene deugd hebben. Dan