Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
455
Uit de 2de V. weten we reeds, dat er tweeërlei bovennatuur-
lijke deugden zijn : goddelijke en zedelijke deugden. Uit de
4de V. leerden we ook de eigenlijke reden, waarom deze drie:
het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden genoemd
worden, en waardoor ze eigenlijk van de zedelijke deugden
onderscheiden worden, nl., doordien ze ons onmiddellijk met
God bezig houden , God zelven onmiddellijk èn tot voorwerp
èn tot beweegreden hebben.
Hier leeren wij nu , waarom alle andere deugden zedelijke
deugden genoemd worden, en waarom deze wezenlijk van de
drie goddelijke deugden verschillen. Alle andere deugden
worden zedelijke deugden genoemd, omdat zij de zeden,
d. w. z., het zedelijk gedrag, de bijxondere en openbare of
maatschappelijke levenswijze der menschen volgens het Eoangelie
en de rede, met andere woorden, volgens de Christelijke
leering, en volgens 'smecschen natuurlijk gezond verstand,
ten goede, d. i., tot beoefening van het goede, van de deugd,
regelen. De zedelijke deugden regelen dus onze zeden, geheel
ons zedelijk gedrag zóó, gelijk het Gode behaaglijk is; want
ze regelen het ten goede, tot beoefening der deugd, die God,
krachtens zijne heiligheid, welgevallig, aangenaam is, en
zijn moet, niet anders dan behaaglijk zijn kan.
Het wezenlijk verschil tusschen zedelijke en goddelijke
deugden bestaat hierin, dat het onmiddellijk pooru'^rjD der zede-
lijke deugden niet is God zelf, maar de zedelijke verplichting, li
die 't zij jegens God, 'tzij jegens ons zelven of onzen naaste
op oos rust. Ook is de onmiddellijke beweegreden der zedelijke
deugden niet noodzakelijk God zelf, maar nu eens de achting
voor de wet, die onze zeden ten goede regelt; dan weer de
schoonheid, voortrefielijkheid en heilzame vruchten eener
beoefende zedelijke deugd, of wel de hatelqkheid en heil-
looze gevolgen der tegenovergestelde ondeugd.
De wet, die onze zeden ten goede regelen moet, is het
H. Evangelie en de natuurlijke rede. De Catechismus zegt
immers, dat zedelijke deugden zoo genoemd worden, omdat
r