Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
449
En waarom moeten wij met een vast vertrouwen op God
hopen ?
A. Omdat God is oneindig goed tot ons, almachtig en
getrouw in zijne beloften. (IS^e Les, V.)
Wat is de Liefde ?
A. Eene deugd en gave Gods, door welke wij öot/bovenal
beminnen en onzen evennaaste gelijk ons zei ven. Les, l«»« V.)
Wie moeten dus het voorwerp onzer liefde zijn, en hoe ?
A. God bovenal en onze evennaasten gelijk ons zeiven.
Waarom moeten wij God bovenal beminnen P
A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is. (T. a. p.
V.)
Om welke reden, waarom moeten wij onzen evennaaste be-
minnen gelijk ons zeiven?
A. Om God, d. w. z., omdat God de liefde van alle rede-
lijke schepselen overwaardig is. (T. a. p. 6'« V.) Dus èn
voorwerp èn beweegreden van 't geloof, van de hoop en de
liefde is onmiddellijk, rechtstreeks God. Dus hetkenteeken,
waardoor men de goddelijke van de zedelijke deugden onder-
scheidt, bestaat waarlijk hierin, dat de drie goddelijke deug-
den ons onmiddellijk met God bezig kouden, terwijl de zedelijke
deugden God slechts middellijk tot voorwerp of beweegreden
hebben, ons slechts middellijk met God bezig houden. (Zie
verder 9<ie en 10'ie V.) De hoofdreden dus, waarom deze
drie: het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden
worden genoemd, is, dat uitsluitend deze deugden ons onmid-
dellijk met God bezig houden,
5 V. Wanneer worden de goddelijke deugden (en
meteen alle andere bovennatuurlijke gaven en zedelijke
deugden; vgl. 246 en 257) den mensch het eerst
(den eersten keer) ingestort ?
A. In het Doopsel.
C 29