Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
447
Welke de goddelijke deugden zijn , en waarom ze zoo ge-
noemd worden, leeren de twee volgende vragen. De OJ® V.
leert, waarom de andere deugden zedelijke deugden genoemd,
worden.
3 V. Welke zijn de goddelijke deugden ?
A. Deze drie: het geloof, de hoop en de liefde.
Wat het geloof, de hoop en de liefde is, weet ge reeds
uit de Ode, 18de gn 21«« Les.
4 V. Waarom worden deze deugden genoemd god-
delijke deugden ?
A. Omdat zij van God worden ingestort, en ons
onmiddellijk met God bezig houden.
Deze drie, het geloof, de hoop en de liefde, worden god-
delijke deugden genoemd , niet zoozeer en zeker niet alléén,
omdat zij van, d. i., door God worden ingestort. Want om deze
eerste reden , nl., om haar goddelijken oorsprong, mogen het
geloof, de hoop en de liefde wel goddelijke deugden genoemd
worden; maar die reden is toch de voornaamste niet, waar-
om deze deugden goddelijke deugden genoemd worden ; zelfs
zou deze reden alléén niet voldoende zijn om ze in waarheid
goddelijke deugden te mogen noemen. Want dat zij van God
worden ingestort, is wel een vereischte om ze in waarheid
bovennatuurlijke t en dus ook goddelijke deugden te kunnen
heeten; immers bovennatuurlijke deugden zijn tweeërlei: godde-
lijke en zedelijke deugden (2de V.); maar'tis geene eigenschap,
die der goddelijke deugden alleen eigen is, deze wezenlijk
van de zedelijke deugden onderscheidt. Alle bovennatuurlijke,
waarlijk Christelijke deugden toch, worden door God ingestort,
of ze zijn geene wezenlijk bovennatuurlijke, echt Christelijke
deugden , maar reeds bij gebreke van die bijzondere instor-
ting Gods, slechts natuurlijke deugden, d. i., natuurlijke, aan-
geboren of door herhaalde oefening verkregen genegenheden
of begaafdheden der ziel, door welke de mensch eenig natuur-