Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
438
zegt, liegen als een ketter, maar toch is het geenszins eene
zonde tegen den H. Geest, omdat men geene welbekende
waarheid des geloofs bestrijdt.
4. De deugd en de genadegunsten zijns naasten benijden is de
vierde zonde tegen den H. Geest.
Ze bestaat hierin, dat men zijnen evennaaste benijdt, dat
hij wezenlijk deugdzaam is, of zich oprecht bekeerd heeft en
nu deugdzaam leeft, en dien ten gevolge Gode welgevallig
is, door God bemind en met genaden, gratiën begunstigd
wordt, zoodat men door die zonde ook de genadegunsien zijns
naasten benijdt. Zoo benijdde Kaïn zijnen broeder Abel,
omdat God met welbehagen nederzag op de oÖ'erande van
Abel, die ze met een deugdzaam hart had opgedragen. {Boek
der Schepp. IV , 1 — 5.) Zoo zondigden de Joden, welke
hardnekkig verbitterd en afgunstig waren over de roeping
der Heidenen tot het geloof in Christus. Zoo zondigen nog
die goddeloozen, welke spijtig en wrokkig de bekeering der
Heidenen in Afrika, enz., van Protestanten in Engeland,
enz., de godsdienstigheid van onze goede bevolking aanzien,
en door allerlei middelen trachten tegen te gaan. Hunne
zonde komt voort als uit haat jegens God, en geschiedt dus
enkel uit boosheid, en strijdt rechtstreeks tegen Gods barm-
hartigheid; is dus wezenlijk eene zonde tegen den H. Geest.
Van die zonde moet men dus goed onderscheiden den nijd ,
of de afgunst, waaraan iemand zou toegeven, omdat zijn
naaste hem in deugdzaamheid of genadegunsten overtreft.
Immers deze zonde komt niet enkel uit boosheid, maar uit de
drift van ijdele glorie, van hoovaardigheid voort, en strijdt
niet rechtstreeks tegen Gods barmhartigheid , aangezien hij ,
die aan dezen nijd toegeeft, Gods genadegaven of gunsten
niet op zich zelve versmaadt, maar zijn naaste alleen mis-
gunt, dat hij hem in deugd en genadegaven overtreft.
5. Hardnekkig zijn in de boosheid, w. z., enkel uit boosheid,
kwaadwilligheid de middelen ter bekeering halsstarrig ver-
werpen. Dus ondanks alle middelen, waardoor God in zijne