Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
431
Nijdigheid is uit haar aard altijd kwaad , en verleidt den-
gene, die er aan toegeeft, tot vele andere zonden, vooral
tot vreugde over des naasten tegenspoed; tot kwaadsprekend-
heid, laster, oorblazerij (die vrienden tegen elkaar inneemt),
haat, soms zelfs tot moord. Uit nijd toch heeft Kaïn zijn
broeder Abel gedood ; uit nijd hebben de zonen van Jacob
hunnen broeder Joseph verkocht; uit nijd stond Saül David
naar het leven ; uit nijd leverden de Farizeërs en Schriftge-
leerden Jesus, den Messias , den Verlosser , ten dood.
De vijfde hoofdzonde, gulzigheid, is de ongeregelde zucht naar
spijs en drank. Die zucht is vooral dan ongeregeld, als men
de behoorlijke maat in eten of drinken te buiten gaat, over-
daad doet. Die maat is voor allen niet dezelfde, maar moet
naar ieders gestel en omstandigheden beoordeeld worden.
Wat te veel, wat overdaad is voor A., kan voor B. niet te
veel, ja niet eens voldoende zijn. De eene mensch heeft
meer, de ander minder spijs of drank noodig tot instandhou-
ding zijner gezondheid, ter vernieuwing zijner werkkrachten;,
allen kunnen ook niet evenveel spijs of drank zonder hinder
verdragen; zelfs kan voor één en denzelfden persoon de hoe-
veelheid spijs of drank, die hem in deze en gene omstandig-
heden volstrekt niet hindert, bezwaart, benevelt of bedwelmt^
in andere omstandigheden hinderlijk, te veel, overdaad voor
hem zijn. Om dus in 't bijzonder te bepalen of iemand aan
ongeregelde zucht naar spijs of drank heeft toegegeven,
m. a. w., of iemand de behoorlijke maat, d. w.z., die maat,
welke zijner gezondheid noodig of nuttig is, te buiten gegaan,,
overschreden heeft, moet men met alle omstandigheden van
dien persoon in 't bijzonder rekening houden.
Intusschen blijft het, in 't algemeen gesproken, waar, dat
men zich vooral dan aan gulzigheid schuldig maakt, als men
willens en wetens te veel eet of drinkt, d. i., meer dan voor
de instandhouding of bevordering der gezondheid dienstig is.
Uit ingevolgde gulzigheid komen vele andere zonden voort^
b. V., snoeplust, welke dikwijls tot leugentaal en diefstal