Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
429
digheid, de vrijwillig ingevolgde ongeregelde zucht naar
eigen grootheid, oorsprong en beginsel. Wezenlijke hoovaar-
digheid wordt dus te recht onder de hoofdzonden gerekend.
Men moet echter hoovaardigheid goed onderscheiden van
het besef en gevoel van wezenlijke eigenwaarde, van de
waardeering en ophouding van zijn rechtmatig verkregen
staat en stand. Deze zucht is op zich zelven niet ongeregeld,
geene zonde , maar zelfs eene deugd, en het mag dus niet
als hoovaardij worden beschouwd of beoordeeld, als men,
volgens zijn rechtmatig verkregen staat, wil geëerbiedigd,
geëerd en gehoorzaamd worden, en dienovereenkomstig, zoo-
ver eigen fortuin of bezoldiging toelaat, zijne levenswijze
regelt, inricht.
De tweede hoofdzonde, gierigheid, is eene ongeregelde zucht
om tijdelijk goed te verkrijgen of te bewaren. De zucht en de
begeerte om geld en andere aardsche goederen te verkrijgen
en te bewaren , in zooverre die noodzakelijk of nuttig zijn
om volgers staat en stand te leven , is overeenkomstig de
gezonde rede, en is dus geen gierigheid : maar wel, als we
ze boven dien regel, boven die maat begeeren ; want dan is
de zucht naar tijdelijk goed ongeregeld, on- of bovenmatig.
Die ongeregelde zucht leidt nit haar aard tot vele andere
zonden, vooral tot hardvochtigheid jegens den arme, tot
bedrog in woorden en werken, tot ontrouw, ja, verraad,
zooals blijkt uit Judas, die uit geldzucht zijn goddelijken
Meester voor dertig zilverlingen (eene som van ongeveer veer-
tig gulden) aan de Opperpriesters der Joden overleverde.
(Vgl. Matth. XXVI. 14, enz.) Al is gierigheid uit haar aard
slechts eene dagelijksche zonde, ingevolgd voert ze allengs
toch dikwijls tot de grootste gruwelen. Ook deze waarheid
blijkt uit de geschiedenis van Judas, den Iskariother, die
Jesus verraden heeft. In dien zin zegt het boek, genaamd
Ecclesiasticus: „Niets is boozer dan een geldzuchtig mensch.
Niets is snooder dan de vrekheid; want zulk een mensch heeft
zelfs zijne ziel veiC (X. v. 9. 10.)