Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
k 1
426
kleine hoovaardigheid, eigenliefde, afgnnst, gramschap, gul-
zigheid , enz. Dus niet in die beteekenissen of om die rede-
nen , maar omdat iedere hoofdzonde, oorsprong en beginsel
is van vele andere zonden, worden ze ieder afzonderlijk, en
alle samen genomen , te recht hoofdzonden genoemd.
' 4 V. Hoeveel hoofdzonden zijn er ?
A. Zeven : hoovaardigheid , gierigheid , onkuisch-
heid, nydigheid, gulzigheid, gramschap en traagheid.
Il De eerste hoofdzonde, de hoovaardigheid is eene ongeregelde
zucht naar eigen voortreffelijkheid. Aan deze zonde maakt men
zich schuldig, wanneer men zich hooger acht, schat, dan
men is. Dit geschiedt vooral op vier manieren : a) wanneer
men datgene, wat men is of heeft, niet aan God , maar aan
tl zich zeiven toeschrijft. In dat geval acht men zich blijkbaar
^ hooger dan men inderdaad is, dewijl we alles wat we zijn
en bezitten , van God ontvangen hebben.
^ b) Als men wel erkent, hetgeen men is en al wat men
bezit van God ontvangen te hebben, maar die gaven aan
zijne eigene verdiensten toeschrijft, als waren deze de oorzaak,
il waarom men die gaven ontving. Door zoo te handelen of te
> oordeelen , schat men zich alweer hooger dan men waarlijk
< is, dewijl wij èn het natuurlijk èn het bovennatuurlijk leven
zonder onze verdiensten van God ontvangen. Deze twee soorten
van hoovaardigheid zijn uit geheel haar aard doodzonden,
want ze sluiten eene zekere ketterij in; immers op de eerste
manier miskent, ja ontkent men, dat God de gever is van
alle goed, en op de tweede manier, dat Hij de vrije gever is
van alle goed, die in zijne souvereine majesteit aan niemand
iets verschuldigd is. Vooral op hoovaardigen van dien aard
slaat de berisping van den H. Paulus: „Wat hebt gij, dat ge
niet van God ontvangen hebt F En zoo gij het van Hem ont-
vangen hebt, wat beroemt gij u dan alsof ge het niet ontvangen
hadt F alsof ge het aan u zeiven, aan uwe eigene verdiensten
te danken hadt ? (I £r. aan de Korinth. IV. 7. 8.)