Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
409
omdat men het ongaarne, met weerzin, maar ten slotte toch
werkelijk gedaan of toegelaten, er in toegestemd heeft. In
deze en soortgelijke gevallen is zeker genoegzame vrije wil
aanwesig, opdat eene zonde nit dien hoofde doodzonde zij.—
Doch ontbreekt die genoegzame vrije wil, bestaat er maar
een half vrijwillige toestemming, dan zou eene overtreding
der wet Gods reeds daarom alleen geene doodzonde, maar
enkel eene dagelijksche zonde zijn. Zoo, b. v., is iemand,
die in een bekoring tegen do zuiverheid niet ten volle toe-
stemt , maar ze met eenigo traagheid of eenig verzuim be-
strijdt, verzet, niet aan eene doodzonde, maar slechts aan
eene dagelijksche zonde schuldig, omdat hij er niet met
genoegzamen vrijen wil in heeft toegestemd, en de zonde
hem dus niet volkomen , geheel toerekenbaar is.
Opdat eene zonde doodzonde zij , moet ze niet enkel met
genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil gedaan worden,
maar ten , ook grootelijks strijden tegen de eer van Qod of
het welzijn tan onzen naaste.
Onder onzen naaste moeten wij hier ook, ja, allereerst,
vooral ons zeioen verstaan ; wij moeten immers onzen even-
naaste beminnen gelijk ons zeioen. (Vgl. Les, ö^« —
7de V.) Bijgevolg mogen wij allereerst ons zelven geen kwaad
doen of willen. Doen of willen wij dns iets, dat grootelijks
strijdt togen ons eigen welzijn, dan maken we ons ook plich-
tig aan eene doodzonde, zoowel als we eene doodzonde be-
drijven, indien we iets doen of willen, wat grootelijks strijdt
tegen het welzijn van onzen naaste, of tegen de eer van God.
Wanneer eene zonde grootelijks strijdt tegen de eer van God,
is in vele gevallen nit den aard der zaak zelve klaar en
duidelijk. Zoo, b. v., begrijpt iedereen van zelf, dat het
ontoeren der H. Sacramenten , (1«« Gebod , 228te Les, 8«« V.),
godslastering, een valschen eed doen 4«'^ lO^e V.),
enz., grootelijks strijden tegen de eer, die wij God schuldig
zijn. Eveneens is het in vele gevallen klaarblijkelijk, dat
deze of gene zonde grootelijks strijdt tegen het welzijn van onzen