Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
408
om niet als een „fijne" uitgelachen te worden, enz. Dezulken
paaien hunne conscientie veeltijds door de gedachte: Ik was
er niet mee gediend; dus heb ik die zonde niet bedreven met
genoegzamen vrijen wil, vereischt om eene doodzonde te zijn.
Blijkbaar eene list en drogredo van den duivel. Pilatus
zou Jesus veel liever hebben losgelaten dan ter dood veroor-
deeld ; hij erkende Jesns' onschuld openlijk ; maar uit vrees
van de vriendschap en gunst van keizer Tiberius te verliezen,
waar de Joden hem bang voor maakten, gaf hij Hem aan 't
Joodsche volk en de Opperpriesters over, om door bediening
der Romeinsche soldaten gekruisigd te worden. (Vgl. Joannes
XIX. 12 — 16.) Kunt go Pilatus op dien grond, om die
reden van een onrechtvaardig vonnis, van doodzonde vrij-
spreken P Zeker niet; want hij sprak dit onrechtvaardig
vonnis met genoegzame kennis en met genoegzamen vrijen
wil uit. En daarom baatte het hem in 't oog van God niets,
dat hij voor de oogen des volks zich de handen wiesch,
zeggende: „Ik, ik ben onschuldig aan het bloed van dezen
rechtvaardige! Gijlieden moogt toezien." (Matth. XXVII
24) Voorzeker, zij, de Joden, moesten toezien, hoe zwaar
ze zich aan het bloed des Heeren schuldig maakten, meer
nog dan Pilatus; want zij hadden hem tot dit onrechtvaar-
dig vonnis aangezet, ja het hem als afgeperst. Niettemin
was Pilatus medeplichtig aan den Gods-moord, omdat hij ,
hoewel ongaarne, en met weerzin, toch werkelijk met
genoegzamen vrijen wil het doodvonnis over Jesus uitsprak.
Ook Pilatus dus deed buiten twijfel eene groote doodzonde
door uit vrees voor de Joden , uit vrees van de vriendschap
des keizers te verliezen , Jesus werkelijk tot den kruisdood
te veroordeelen. (Vgl. de verhandel, van den H. August,
over Ps. LXIIL v. 2, oï Rom. Breder, Goeden Vrijd. Les )
Uit dat voorbeeld blijkt overduidelijk, dat men zich voor
den rechterstoel van O, L. Heer niet van doodzonde mag
vrijspreken onder voorwendsel, dat men eenig groot kwaad
niet met genoegzamen vrijen wil gedaan of toegelaten heeft,