Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
407
eene doodzonde te bedrijven, ofschoon het uiteraard zoo niet is.
Het kind meent dus ook , dat het dien diefstal moet biech-
ten , ofschoon deze uit zijn aard slechts eene dagelijksche
zonde is. En toch durft het er zich niet van beschuldigen.
Zulk kind zondigt tegen zijne conscientie; is reeds plichtig
aan twee, gaat het zoo te communie , aan drie doodzonden.
De eerste doodzonde bedreef het, omdat het op het oogen-
blik , waarop het een dubbeltje wegnam, stellig meende, dat
een dubbeltje stelen, doodzonde is. De tweede, door uit
schaamte zijne vermeende doodzonde te verzwijgen in de
Biecht. De derde, door in zulken staat te communie te paan.
Opdat eene zonde, willens bedreven, doodzonde zij, moet ze
bovendien, of ten met genoegzamen vrijen wil, d. w. z. >
met volle toestemming van den wil gedaan worden.
Onder dit opzicht bestaat vooral tweeërlei valsch begrip.
Sommigen nl. meenen , dat men , om eene doodzonde te be-
drijven , uitdrukkelijk den wil, de intentie moet hebben. God
grootelijks te beleedigen. Die intentie is zeker niet noodig
om werkelijk bij God aan eene doodzonde schuldig te zijn.
Wat zoudt ge zeggen van iemand, die u arm of been stuk
slaat, en ter verontschuldiging zegt: Ik had toch de meening,
de intentie niet u zwaar te beleedigen, te kwetsen, te hin-
deren? Ongetwijfeld zoudt ge antwoorden: maar ge hebt
het toch werkelijk, metterdaad wetens en willens, met ge-
noegzame kennis en vrijen wil gedaan. Dat is al erg genoeg.
Juist geantwoord. Iets met genoegzame kennis en genoeg-
zamen vrijen wil doen wat uiteraard doodzonde is, is vol-
doende om wezenlijk aan doodzonde voor God plichtig te
zijn, al heeft men den uitdrukkelijken wil oi intentie niet,
God grootelijks te beleedigen.
Anderen meenen zich van doodzonde te mogen vrijspreken,
omdat ze een groot kwaad niet van harte wilden of toelieten,
ja zelfs liever niet zouden gedaan of toegelaten hebben, maar
toch deden of toelieten b. v., uit menschelijk opzicht, of om
de vriendschap of gunst van dezen of genen niet te verliezen.