Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
405
kennen, niet meer (vgl. 3''« Les, 19'ie en V.); aan de over-
tredingen der wet Gods, welke hij dien ten gevolge bedrijft,
is hij wel degelijk schuldig. Zoo iemand kan zich niet vrij-
spreken van zonde om zijne onwetendheid ; want hij heeft zelf
schuldige oorzaak aan zijne onwetendheid gesteld; de onwe-
tendheid, waarin hij de overtreding beging, is zelve schuldig.
Om ook een voorbeeld aan te halen van schuldige onbe-
dachtzaamheid: denkt u iemand, die een gewoonte aangeno-
men heeft van vloeken, enz.; dien ten gevolge vloekt zoo
iemand als onopgemerkt, zonder er erg in te hebben, als iets
hem niet naar zijn zin gaat, als hij drifiig wordt. Blijkbaar
is zoo iemand zelf schuld van zijne onbedachtzaamheid , en
is hij wel degelijk plichtig aan de zonden, welke hij dien
ten gevolge bedrijft, al wederom omdat zijne onbedachtzaam-
heid zelve schuldig is in en door de schuldige oorzaak , die
hij er toe gesteld heeft.
Opdat dus eene overtreding der wet Gods eene eigenlijk
gezegde zonde zij , moet ze ten wetens, d. i., met kennis
en voorbedachtzaamheid geschieden.
Wijders, opdat eene zoude doodzondQ zij, moet ze ten 1««
bovendien met genoegzame kennis gedaan worden.
Wat wil het zeggen, dat eene zonde, om eene doodzonde
te zijn, met genoegzame kennis moet gedaan zijn P D. w, z.,
dat ze moet bedreven zijn met vol verstand, met volle kennis
van het kwaad.
Maar, wanneer dient men het er voor te houden, dat eene
zonde met vol verstand, met volle kennis van het kwaad,
in één woord, met genoegzame kennis bedreven is?
A. Als men op het oogenblik, waarop men eene zonde
bedreef ten volle wist, of ten minste stellig meende, dat do
zonde, welke men bedreef, eene zware, groote zonde was,
eene zonde, waarvoor men naar de hel zou gaan, indien men
er in kwam te sterven. Deze kennis van het kwaad is^^ao«'^-
zaam om wezenlijk voor God aan eene doodzonde schuldig.