Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
402
der drie opgenoemde voorwaarden, welke tot eene doodzonde
vereischt worden , stnk voor stnk verklaren.
In de vorige Les V.) zeiden we reeds, dat eene eigen-
lijk gezegde zonde is: eene vrijwillige overtreding van de wet
Gods. Maar nn is de vraag: Wat wil dat zeggen: eene
vrijwillige overtreding van de wet Gods? of, m. a. w., wan-
neer is eene overtreding der wet Gods vrijwillig ?
A. Eene overtreding der wet Gods is vrijwillig, ais zij
wetens en willens geschiedt. Dns , opdat eene overtreding der
wet Gods vrijwillig , eene eigenlijk gezegde zonde zij, moet
die overtreding ten , wetens, d. i., met kennis en voorbe-
dachtzaamheid, en ten willens, d. i., met vrije toestem-
ming van den wil geschieden.
Kennis en voorbedachtzaamheid bestaan daarin , dat men op
hot oogenblik, waarop men de wet Gods overtreedt, wete of
ten minste eenigszins inzie, er erg in hebbe, dat men togen
de wet Gods handelt, iets ongeoorloofds, kwaad doet.
Hieruit volgt, dat iemand , die eene wet Gods overtreedt,
zonder te weten of er eenigszins aan te denken , dat zijne
handeling, zijne daad tegen de wet Gods strijdt, ongeoor-
loofd, kwaad, zonde is, zich niet aan eene eigenlijk gezegde
zonde plichtig maakt, tenzij zijne onwetendheid en onbedacht-
zaamheid zelve schuldig is. B. v. een kind zou een vloek
gezegd , uitgesproken hebben , maar toen het dien uitsprak,
volstrekt niet geweten hebben , dat het een wezenlijke vloek
was; dat kind zou geene eigenlijk gezegde zonde bedreven
hebben; want het eerste vereischte tot eene eigenlijk gezegde
zonde, kennis, was er in 't geheel niet, ontbrak geheel; en
de onwetendheid van dat kind mag in dit geval gerust als
niet schuldig beschouwd worden.
Maar moet dan dat kind, als het op meer gevorderden
leeftijd weet, dat de woorden, die het vroeger uitgesproken
heeft, een wezenlijke vloek waren, zich in de H. Biecht niet
beschuldigen, wezenlijk te hebben gevloekt, eene godslastering
te hebben bedreven ?