Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
3f8
VEERTIGSTE LES.
Yan de dadelijke zoude.
1 V. Wat is eene dadelijke zonde ?
A. Eene zonde, die wij door eigen daad of eigen
wil bedryven.
De Catechismus zegt: Eene dadelijke zonde is eene zonde,.
die wij door eigen daad.____ bedrijven. Ziedaar de reden,
waarom deze soort van zonde dadelijke zonde genoemd wordt,
ter onderscheiding nl. van de erfzonde, die wij niet door
eigen daad bedreven hebben. (Vgl. vorige Les, en ö'i« V.)-
De Catechismus voegt er bij: of door eigen wil bedrijven.
Deze woorden voegt de Catechismus er om twee redenen bij.
Ten , opdat een ieder wete, dat men ook enkel door den
wil, enkel inwendig, door vrijwillig behagen te nemen, toe
te stemmen in eene kwade gedachte, en door enkel inwendig,
in zijn hart iets kwaads te begeeren, te willen, te verlangen,
eene dadelijke zonde kan bedrijven. Immers wezenlijk iets
kwaads willen , er behagen in nemen , er mee instemmen y
zich er in verlustigen, of begeeren iets kwaads te doen,
alsmede pleizier hebben, dat men het vroeger gedaan heeft,
is zoowel eene daad als eene uiterlijke daad. Men moet dus
de dadelijke zonden allereerst onderscheiden in in» en uit-
wendige zonden. Wie dus zou denken: ja, ik heb dat kwaad,
b. v., iets wat het 6'« gebod verbiedt, wel willen doen, of in
de voorstelling van iets van dien aard volkomen toegestemd,
er behagen in genomen , maar het toch niet metterdaad be.
dreven, niet uitwendig gedaan ; dus heb ik er ook geene zonde,
zeker geene doodzonde door bedreven , — die zou zich, be-
paald in dit geval, grootelijks bedriegen. Want tegen de
kuischheid kan men ook enkel inwendig grootelijks zondigen.
Immers het 9i« gebod verbiedt alle zonden van onkuischheid
door vrijwillige gedachten of begeerten. (27"*« Les , G-i« en 83« V.)