Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
395
Door deze toepassing der aangehaalde vergelijking zult ge
de volgende vraag en het daarop passend antwoord te ge-
makkelijker verstaan.
6 V. Wat kwaad doet ons de erfzonde?
A. Zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaar-
digheid en maakt ons onbekwaam om de glorie des
hemels te genieten.
Door de vraag: Wat kwaad doet ons de erfzonde? wijst
de Catechismus genoegzaam duidelijk op dit punt van ons
H. Geloof: dat Adams overtreding van de wet Gods, dat
Adams eigenlijk gezegde zonde niet enkel hem heeft geschaad,
maar tevens geheel zijner nakomelingschap, aan alle menschen ,
kwaad heeft gedaan. (Vgl. de leer van het Conc. v. Trente,
t. a. p. n. 2.)
Let wel op , dat de Catechismus in zijn antwoord zegt,
dat de erfzonde ook ons tweeërlei kwaad doet. Want ten
zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die, gelijk ge
weet, bestond in de heiligmakende gratie met eenige bijzon*
dere voorrechten naar ziel en lichaam. (S^te Les , V.)
Die rechtvaardigheid wordt de oorspronkelijke rechtvaardig-
heid geheeten, omdat Adam allerwaarschijnlijkst in den staat
van heiligmakende gratie geschapen is, en zeker bij zijn oor-
sprong door Gods goedheid in dien staat geplaatst, en te
gelijk begiftigd is met eenige bijzondere voorrechten naar
ziel en lichaam.
Door zijne zonde van ongehoorzaamheid heeft Adam per-
soonlijk de heiligmakende gratie en alle bijzondere voorrechten
naar ziel en lichaam, welke God in zijne oneindige goedheid
aan den staat der oorspronkelijke rechtvaardigheid geschonken
had, verloren. (Vgl. V.) Om en door die zonde, welke
wij van onzen eersten vader Adam overerven, zijn ook wij,
van het eerste oogenblik onzer ontvangenis, beroofd van de
oorspronkelijke rechtvaardigheid. Want het eerste kwaad,