Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
394
'billijkheid , dat hij, om zijne overgroote schuld en trouwe-
loosheid , en tevens al zijne kinderen, de vriendschap van
<lien goeden koning verliezen, zich zijne gramschap en wel
verdiende straf op den hals halen P
Wederom zult gij zeggen: Ja, het is billijk en rechtmatig,
dat om de overgroote ondankbaarheid en ontrouw van hun
vader, ook zij, kinderen van dien snooden vader, beroofd
worden van de voorrechten, hun door dien liefderijken vorst
beschoren , mits hun vader een op zich zelf zoo klein gebod
niet moedwillig hadde overtreden , en hadde hij het onder-
houden , ook zij op hunne beurt er niet aan te kort bleven.
Kinderen, de toepassing dezer gelijkenis ligt voor de hand.
■God is die koning.
Die bevoorrechte onderdaan was onze eerste of stamvader
Adam.
Wij en alle menschen zijn zijne nakomelingen.
Allerliefderijkst handelde God met Adam en met ons,
•door onzen eersten vader Adam tevens ons welzijn toe te
vertrouwen , als in de hand te geven, te meer doordien hij
zijn eigen en ons geluk op zoo gemakkelijk te onderhouden
voorwaarde kon verzekeren, nl. door zich te onthouden van
de vruchten van één enkelen boom, terwijl hij naar hartelust
^ten mocht van de keurige vruchten van al de overige boomen,
^ie zich in 't paradijs bevonden. Dewijl echter onze eerste
vader Adam dit op zich zelf zoo klein gebod moedwillig
heeft overtreden , is het ook billijk, dat wij allen van nature,
Kioor onze afstamming van Adam, als „kinderen van gramschap'*
in den schoot onzer moeder ontvangen worden , (vgl. Brief
aan de Ephes. II. 3,), beroofd van de voorrechten, louter uit
liefde Adam verleend en ook ons beschoren , indien hij niet
van de verboden vrucht gegeten had.
Rechtmatig dus heeft God niet slechts onzen eersten vader
Adam, maar om diens zonde ook alle zijne nakomelingen
van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, en de daaraan ver-
slonden voorrechten beroofd.