Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
392
aan den dood, waarmee God hem te voren bedreigd had, is
onderworpen, en met de onderworpenheid aan den dood in
de slavernij des duivels gevallen is (8»'« Les, 6""® V.), en dus
naar lichaam en ziel in slechteren toestand is veranderd.
(Vgl. het Besluit der Algem, Kerkv. van Trente ooer de erf-
zonde, ö-ie Zitt., n. 1.)
Niet enkel zich zeiven, maar ook ons, zijne nakomelingen,
heeft Adam door zijne zonde van ongehoorzaamheid veel en
groot kwaad gedaan , gelijk uit het antwoord op de V.
zal blijken.
Men denkt en vraagt wel eens: Is dat wel lief, wel mooi
van O. L. Heer, dat Hij ons om de zonde van onzen eersten
vader Adam aan zooveel en groot kwaad onderworpen heeft P
Immers, wij menschen hebben die zonde niet zelf, persoon-
lijk bedreven, niet door eigen wil begaan , en toch moeten
we er zooveel om lijden.
Kinderen, 't is waar, wij hebben die zonde niet zelf ge-
daan ; en daarom is de erfzonde in ons ook geene eigenlijk
gezegde , dadelijke zoude , geene vrijwillige overtreding van
de wet Gods; maar een zondige toestand, een zondige staat,
en wel een staat van doodzonde, welke wij door afstamming
van onzen eersten vader Adam overerven, omdat God, de
almachtige Heer, onzen wil in den wil van onzen eersten
vader Adam had opgesloten. (Vgl. 8ste , 9«»« V. en het
Conc. V. Trente, t. a. p., n. 2 en 3.)
Dat God onzen wil in dien van Adam vrij kon opsluiten ,
is klaar en duidelijk, doordien God de almachtige Heer en
Meester is van al zijne schepselen.
Dat Hij door werkelijk ons aller wil in dien van Adam
te besluiten, niet alleen niets onbillijks deed, maar daardoor
en met Adam en met ons zeer mooi en liefderijk handelde»
zal eene gelijkenis eenigszins ophelderen , begrijpelijk maken.
£en koning zegt tot een zijner onderdanen : Ziedaar, zonder
dat ge uwerzijds er eenige aanspraak op kunt maken, schenk