Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Wij zijn wel verplicht alles te gelooven, wat God veropen-
baard heeft, maar niet, alles van buiten te weten.
Wij zijn verplicht van buiten te weten de vier punten uit
noodzakelijkheid des middels en eenige stukken uit nood-
zakelijkheid des gebods.
17 V. Wat wil het zeggen, dat men eenige waar-
heden moet weten uit noodzakelijkheid des middels ?
A. Dit wil zeggen , dat men niet kan zalig wor-
den , als men , tot de jaren van verstand gekomen ,
die niet weet.
18 V. Welke waarheden moet men weten uit nood-
zakelijkheid des middels ?
A. Deze vier: ten 1. dat er één God is; ten 2.
dat er drie onderscheidene Goddelyke Personen zyn ,
de Vader, de Zoon en de H. Geest; ten 3. dat God
de Zoon voor ons is mensch geworden en gestorven ;
ten 4. dat God is looner van het goed en straffer
van het kwaad.
Dat toeien wil hier zeggen, genoegzaam begrijpen wat men
zegt, de woorden verstaan ; 't is dus niet voldoende die pun-
ten enkel van buiten te kunnen opzeggen. Van de vier pun-
ten uit noodzakelijkheid des middels behoort men te weten:
lo dat God bestaat, dat er maar één God is, dat God onder-
scheiden is van de schepselen, b. v. omdat Hij zelf Schepper
is. 2° Dat in éénen God drie van elkander onderscheidene
Personen zijn: de Vader , de Zoon en de H. Geest, die alle
drie Goddelijke Personen zijn, omdat Zij een goddelijk wezen,
of eene goddelijke natuur hebben, maar toch alle drie slechts
één God zijn, omdat zij alle drie hetzelfde goddelijk wezen,
of dezelfde goddelijke natuur hebben. S« Dat de tweede der
Goddelijke Personen — de Zoon — is mensch geworden —