Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
valscli zijn. Want anders zon de waarheid niet meer één zijn,
en te gelijker tijd twee tegenstrijdige dingen waar kunnen wezen.
Doch er zijn menschen, die zeggen: al heb ik het ware
geloof niet, dat komt er weinig op aan , als ik maar goed
leef. Zulks te beweren, is een groote dwaling , zooals blijkt
uit vr. 13 en 14. Immers wie vrijwillig niet gelooven wil,
wat God geopenbaard heeft, twijfelt natuurlijk aan Gods
waarachtigheid, en bedrijft dus een groote zonde, waarom
men verloren gaat.
13 V. Kan een ieder in zijn geloof niet zalig
worden ?
A. Neen; zonder het ééne ware Geloof is de
zaligheid niet mogelijk.
14 V. Zullen de ketters om hunne dwaling dan
zeker verloren gaan ?
A. Ja, als zij in hunne dwaling grootelijks
schuldig zijn en daarin volharden.
Ofschoon zonder het ééne ware geloof de zaligheid niet
mogelijk is, kunnen de ketters en protestanten nochtans
zalig worden als zij :
ten 1ste te goeder trouw dwalen ,
ten de vier punten kennen ,
ten 3'ie goed gedoopt zijn, of het doopsel van begeerte
hebben en
ten een volmaakt berouw hebben over hunne zonden.
])an toch behooren zij , ofschoon niet uitwendig, toch in-
wendig in den geest, met den oprechten wil, tot de Kerk
van Christus, en hebben zij werkelijk het waar geloof, of-
schoon ze in een of ander punt te goeder trouw dwalen.
Aangezien nu niemand , dan God, hierover met zekerheid
kan oordeelen, zoo weten wij niet met zekerheid, of protes-
C 3