Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
363
A, Neen; men moet slechts die hoedanigheden
zeggen , welke de zonde merkelijk veranderen.
Neen; men mag in de biecht den persoon, met welken men
gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is, niet
met zijn naam noemen ; dns mag men b. v. niet zeggen : ik
heb leelijk gespeeld met die en die----of, iets weggehaald
op raad of met medehulp van die en die. Doch die hoedanig-
heden van den persoon, met welken men gezondigd heeft,
of die aan de zonde medeplichtig is, welke de zonde merkelijk
veranderen, moet men wel degelijk zeggen, maar ook slechts,
d. w. z., alleen de hoedanigheden, welke de zonden, die
men met een ander bedreven heeft, merkelijk veranderen.
Dit is b. V. het geval, indien men tegen het 6'® Gebod mis-
daan heeft met een gehuwd persoon, of met iemand van onze
familie, of met wien men in hetzelfde huis woont, in dezelfde
kamer slaapt, op denzelfden winkel werkt, enz. Immers,
de hoedanigheden van familie, bloed- of aanverwantschap, van
getrouwd persoon veranderen de zonden tegen het Gebod
merkelijk. En de hoedanigheid of omstandigheid, dat de
persoon , met welken men gezondigd heeft, of die ons tot
zonde aanzocht, bij ons inwoont, enz., is dikwijls oorzaak
van eene naaste gelegenheid van doodzonden , welke om die
omstandigheid merkelijk gevaarlijker is.
47 V. Wat moet ^ d. w. z., behoort men te doeny
na al zijne zonden gebiecht te hebben ?
A. De nabiecht zeggen.
48 V. Zeg de nabiecht,
A. Van deze en al myne zonden , die ik niet
indachtig ben , belijd ik mijne schuld ; ik bid God
om vergiffenis door de verdiensten van Christus, en
U , Vader, om eene zalige penitentie en absolutie,
indien ik het waardig ben.