Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
361
deren, die krankzinnig zijn geworden; maar sinds 18 eeuwen
is er geen enkele aan te wijzen, die het geheim der Biecht
heeft gesehonden. Dat feit teekent, en duidt klaarblijkelijk
den vinger Gods aan. Te meer, wijl we mogen wijzen op
den roemrijken martelaar van 't geheim der Biecht, den H.
Joannes Nepomucenns. Alle beloften en bedreigingen van
den eervergeten koning Wenceslaus telde hij als niets, en
onderging liever een wreeden dood, dan het geheim der
Biecht te verbreken (men leze zijne geschiedenis in de Levens
der Heiligen op 16 Mei).
'tIs wijders opmerkenswaardig, dat het God behaagd heeft
de tong van dezen martelaar van bederf te vrijwaren , om
door dit wonder de onschendbaarheid van het geheim der
Biecht ook op die wijze zichtbaar te bevestigen.
Om alle schaamte te overwinnen , dient gij dus ten. te
gedenken , dat de Biecht een eeuwig geheim is.
Ten 2'ie, dat de Biechtoader de plaatsbekleeder is van Jesus
Christus, die vol liefde is jegens de zondaars.
Openlijk betuigde Jesus tijdens zijn openbaar leven : „Ik
ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te
roepen" tot bekeering (Matth. IX. 13). Zelfs na zijne heer-
lijke verrijzenis gaf Hij aan rouwmoedige zondaars zijne
grootste lieideblijken, o. a. aan Maria Magdalena, en aan
Petrus, die Hem nog zoo kort te voren zoo smadelijk mis-
kend, verloochend had. Welnu, Christus wil, dat zijne
plaatsbekleeders, de Priesters, in den Biechtstoel dezelfde
gevoelens van liefde en medelijden, welke zijn goddelijk Hart
vervullen, toonen jegens den zondaar, die rechtzinnig zijne
zonden belijdt. Indien we dus onze zonden, hoe zwaar en
menigvuldig ze ook mochten wezen , maar oprecht belijden,
zal de Biechtvader ons niet bekijven, er ons niet te minder
om achten, of later er scheef om aanzien: dat mag hij niet;
maar juist om onze oprechtheid in het belijden onzer zonden
ons te hooger schatten, omdat we hem door de rechtzinnige