Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
358
vrijwillig , uit loutere liefde tot ons, zooveel wilde lijden en
zoo smartelijken dood ondergaan, tevens bemint en over zijne
zonden bedroefd is om zijne oneindige goedheid in zich zeioen,
{Vgl. 19^« en 22«te V.)
Geldt ook deze beweegreden van berouw gelijk de vorige,
alleen voor doodzonden ?
^^een , zoowel voor dagelijksche, als voor doodzonden.
Men zal zich met Gods gratie het best tot berouw opwek-
ken, door na te denken ten , dat men door de zonden God^
het opperste goed in zich zeiven , heeft beleedigd.
Welk soort van berouw wordt door deze beweegreden
aangeduid P
Blijkbaar het volmaakt berouw, dat voortkomt uit liefde
tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17J' V.)
Ten moet men zijne zonden biechten, d. w. z., ten minste
alle doodzonden, met getal en omstandigheden , aan welke
men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig
bevindt, en die men rog niet goed gebiecht heeft. (Vgl.
24®'«^ — 28»te V.) Hoe men zich van zijne zonden moet of
behoort te beschuldigen, leert de 43'« V. nog meer in 't bij-
zonder ; ten 6Je, moet men de penitentie volbrengen, welke de
Biechtvader heeft opgelegd (31'te V.), en op den tijd , dien
hij mocht bepaald hebben. (368te V.)
41 V. Wat doet men het eerst in den biechtstoel?
A, Men vraagt den zegen, zeggende: Vader,
gelief mij den zegen te geven; en daarna zegt men
de voorbiecht.
De vraag : „ Vader, gelief mij den zegen te geven*, beant-
woordt de Biechtvader door het volgend gebed: „De Beer zij
in utc hart en op uwe lippen, om uwe zonden waardig te belijden,
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Beiligen Geestes.
Amen:'