Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
326
ook gerust zijn , dat God ons gebed alken keer verhooren ,
ons telkens een waar berouw geven zal; want zijne barm-
hartigheid is zonder einde, en Hij verlangt den dood des
zondaars niet, maar dat hij zich bekeere en leve.
Het berouw is dus bovennatuurlijk, als het uit de gratie
Gods voortkomt, en verwekt wordt om eene beweegreden,
die door het geloof gekend wordt.
Ten 3<ie, moet het berouw algemeen zijn, d. w. z., het moet
zich minstens uitstrekken tot alle doodzonden, welke men
biechten moet.
In dien zin antwoordt de Catechismus op de
11 y. Omr welke zonden moet men berouw hebben?
A. Ten minste over alle doodzonden, waaraan
men plichtig is.
Dus is het berouw niet goed, geen waar berouw, als men
wel bedroefd is over eenige, maar niet over alle doodzonden,
waaraan men sinds zijne laatste goede Biecht plichtig is.
Waarom is tot een waar berouw noodig, dat men bedroefd
zij over alle doodzonden, waaraan men plichtig is P
Ten 1«", omdat de beweegreden, om dewelke men over
ééne doodzonde moet bedroefd zijn , ook bestaat voor alle
andere, b. v. omdat men er God grootelijks door vergramd
heeft, het recht op den hemel er door verloren, de eeuwige
straffen der hel er door verdiend heeft, enz.
Ten moet het berouw algemeen zijn, omdat ééne dood-
zonde niet zonder alle andere vergeven wordt; men kan
immers niet tegelijkertijd in staat van gratie en in staat van
doodzonde, in vriendschap en vijandschap met God zijn.
Zoolang dus iemand ook maar aan ééne doodzonde gehecht
blijft, de naaste gelegenheid ran ééne soort doodzonden niet
wil vermijden, over ééne soort van doodzonden geen berouw
heeft, kan hij ook van alle overige, waaraan hij plichtig is,
geene vergifienis van God verkrijgen.