Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
325
10 V. Kan men volstaan met een natuurlijk berouw,
bij voorbeeld: omdat men voor zijne zonden van zijne
ouders gestraft is? of, omdat men door zijne zonden
zijne gezondheid benadeeld, geld of goed, eer en
faam verloren heeft ?
A. Neen ; men moet bedroefd zijn om eene be-
weegreden , die door het geloof gekend wordt, bij
voorbeeld: omdat men door zijne zonden God ver-
gramd heeft.
Wat wil het dus zeggen, dat men over zijne zonden bedroefd
moet zijn om eene botennatuurlijke beweegreden? m. a. w., dat
het berouw bovennatuurlijk moet zijn in zijne beweegreden?
D. w. z., dat men over zijne zonden bedroefd moet zijn
om eene beweegreden, die door het geloof, en dus niet enkel
door het natuurlijk verstand, gekend wordt.
Geef een voorbeeld van eene bovennatuurlijke beweegreden.
Een algemeen voorbeeld van zoodanige beweegreden haalt
de Catechismus zelf hier aan, zeggende: bij voorbeeld: omdat
men door zijne zonden God vergramd heeft. Meer bijzondere
bovennatuurlijke beweegredenen van berouw geeft de Cate-
chismus op in de — 19<ie V.
Dat het berouw ook bovennatuurlijk moet zijn in zijn oorsprong
of beginsel leert de 15'!« V., luidend : kan men een beeoüw
tjit zich zelven, d. i., ult eigen natuurlijke krachten, hebben P
A. I^een, het bebouw is eenb gave GoDS ; het gaat
onze natuurlijke krachten, de natuurlijke vermogens van
onze ziel en van ons lichaam te boven ; we hebben er dus
Gods hulp, Gods gratie toe noodig; 'tis een gave Gods, die
we door medewerking met Gods voorkomende gratie, en
door gebed moeten verkrijgen.
Wij moeten dus, zoo dikwijls wij te biechten gaan, om
een goed berouw bidden. Doen we zulks, dan mogen we