Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
323
der ziel; eene droefheid, die uit de ziel, den geest , het
hart van den mensch voortkomt, in één woord : eene geeste-
lijke droefheid. Dikwijls werkt deze droefheid ook wel op
de zinnen, met name op het gevoel van den mensch, en
dan gaat de geestelijke droefheid met de zinnelijke, gevoelige
samen. Doch niet zelden is de ware droefheid enkel geeste-
lijk, niet gevoelig ; omdat het zinnelijke deel van den mensch
niet altijd met het geestelijke meegaat, overeenstemt. Enkel
geestelijke droefheid is daarom tot een waar berouw vol.
doende; zinnelijke, gevoelige is er niet toe noodzakelijk, en
alleen er niet genoeg toe.
Het ware berouw is verder eene verfoeiing , d. w. z., een
zoodanige haat, afkeerigheid van de bedrevene zonden, dat
men zou wenschen ze niet bedreven , niet gedaan te hebben.
Het waar berouw is eene droefheid des harten en eene ver-
foeiing van de bedrevene zonden, d. w. z., van alle dadelijke
zonden , door dewelke men God vergramd heeft.
Tot een waar berouw is, behalve die droefheid des harten
en die verfoeiing van de bedrevene zonden, nog noodzakelijk
het vaste voornemen van niet meer te zondigen. Immers zonder
het vaste voornemen om geene doodzonde meer te bedrijven,
kan voornoemde droefheid des harten en verfoeiing van de
bedrevene zonden niet werkelijk bestaan. Want in waarheid
kan men niet zeggen, dat iemand bedroefd is over zijne
zonden, ze haat en verfoeit, als hij ten minste op het oogen-
blik, dat hij de H. Absolutie ontvangt, het vaste voornemen
niet heeft van niet meer te zondigen, d. w. z., ten minste
geene doodzonde meer te bedrijven. Eveneens kan men in
waarheid niet zeggen, dat iemand, die sinds zijne laatste
goede biecht enkel aan dagelijksche zonden schuldig is , een
goed berouw heeft over zgne zonden, indien hij bij het ont-
vangen der H. Absolutie niet vast voornemens is ten minste
één soort van dagelijksche zonden , waarvan hij zich in de
H. Biecht beschuldigt, niet meer op die wijze te bedrijven.
(Vgl. ll-le V.)