Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
318
zonde schuldig maakt, waartoe ons ook maar ééne doodzonde
brengt, (vgl. 40ste Xm, en 8«»« V.), als wij het ongeluk
zouden hebben in dien staat te sterven. (17*^« Les, V.)
De Catechismus zegt, dat we door eene goede Biecht min-
stens kwijtschelding verkrijgen van de eeuwige ^ir^fi^en der hel,
omdat we door eene goede Biecht bovendien kwijtschelding
verkrijgen van een gedeelte der tijdelijke straffen, die wij voor
onze vergevene zonden hier of hiernamaals in het vagevuur
zouden moeten ondergaan. Doch te gelijk met de vergifienis
der zonden en de kwijtschelding der eeuwige strafien, krijgt
men niet altijd geheele kwijtschelding alle tijdelijke BtrSi&'eTX,
maar dikwijls blijven er voor de vergevene dood- en dage-
lijksche zonden eenige tijdelijke straflïen over, welke wij hier
door goede werken, of hiernamaals in het vagevuur door
lijden moeten af- en uitboeten.
Die geloofswaarheid leert ons het Concilie van Trente uit-
drukkelijk (T. a. p., hfdst. VIII en Can, XII, XIII en XV.)
Die waarheid blijkt ook genoegzaam uit de geschiedenis van
Mozes en Aaron , van David, enz.
Mozes en Aiiron twijfelen een oogenblik of zij , gelijk God
hun bevolen had , door de rots toe te spreken , er water uit
zouden kunnen doen ontspringen : „ Zullen wij bij machte
wezen voor u, weerspannigen en ongeloovigen, water uit
deze rots te doen ontspringen F"
God vergaf hun hunne zonde , maar legde beiden de uit-
sluiting uit het beloofde land als tijdelijke straf op. „Omdat
gij Mij niet geloofd hebt. zoodat gij Mij heilig (getrouw in
mijne beloften) deedt blijken voor de kinderen Israels, zult
gg dit volk het beloofde land, dat Ik hun geven zal, niet
binnenvoeren." (B. der Getallen, XX, 8—12; XXVII, 12—14.)
David viel in twee groote zonden: overspel en doodslag.
God vaardigde den profeet Nathan tot hem af, om hem zijne
euveldaden onder het oog te brengen, üouwmoedig bekende
David : „Ik heb tegen den Heer gezondigd", waarop Nathan