Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page

298
maar op eene geheimzinnige, geestelijke wijze, t. w., door
de kracht der woorden van de H. Consecratie, die daarom
hei zwaard des woords geheeten worden.
5 V. Wie heeft de eerste Mis gedaan ?
A. Christus zelf in het laatste avondmaal, en na
Hem de HH. Apostelen.
Christus zelf heeft in het laatste avondmaal, terwijl Hij
het H. Sacrament des Altaars instelde (vorige Les, V.),
tevens de eerste Mis gedaan ; want Hij heeft toen door het
woord zijner almacht het brood en den wijn veranderd in
zijn lichaam en bloed, en zich aldus aan zijnen hemelschen
Vader op onbloedige wijze geslachtofferd.
Na Christus' Hemelvaart en de nederdaling van den H.
Geest op Pinksterdag, hebben de HH. Apostelen en hunne
wettige opvolgers in het Priesterschap, voortdurend de H. Mis
gedaan, ingevolge de macht, hun door Christus verleend, en
het bevel, hun gegeven. Immers in het laatste avondmaal
heeft Christus zijne Apostelen tot Priesters van het onbloedig
offer der Nieuwe Wet aangesteld, en hun en hunne wettige
opvolgers bevolen te doen wat Hij zelf gedaan had, zeggende:
Loet dit tot mijne gedachtenis, (Vgl. bl. 267, vr. 9.) Boet dit,
wat Ik zelf nu gedaan heb , nl., het brood veranderende in
mijn lichaam, en den wijn in mijn bloed, aldus mij zeiven
onder de gedaanten van brood en wijn aan mijn Hemelschen
Vader opofferende; doet gij dit insgelijks, en wel tot mijne
gedachtenis, d. i., om de gedachtenis te vieren van mijn
lijden en dood aan het kruis , en om de oneindige verdien*
sten van het bloedige sacrificie, dat Ik aan *t kruis ga op-
dragen , aan alle menschen toe te voegen, op alle menschen
te hunner verlossing en heiligmaking toe te passen. Boet dit
tot mijne gedachtenis tot aan de voleinding der eeuwen. Want
zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en den kelk drinken, zult gij
door die daad zelve, nl. door de waarachtige vertegenwoor.
diging van mijn bloedig kruisoffer, m^u dood aankondigen,