Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
288
in uwe beloften: Die (waardig) mijn vleesch eet, en mijn bloed
drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken ten jong-
sten dage." (Joan. VI. 55.) In die zoete hoop, o Jesus!
nader ik tot U, en zeg het David met vast vertrouwen na :
„De Beer is mijne kracht, en mijne toevlucht en mijn redder.
Mijn Qod is mijn helper, en op Hem stel ik mijn vertrouwen."
(Ps. XVII. v. 3.) „Op U, 0 Heer, vertrouw ik; laat mij nooit
beschaamd worden." (Ps. XXX. v. 2.)
c) De gevoelens van liefde. Om deze in ons bij de voor-
bereiding tot de H. Communie te verlevendigen, is *t vol-
doende te herdenken, dat Jesus dit Sacrament heeft ingesteld
tot gedachtenis van zijne onuitputtelijke liefde en zijn H.
Lijden (We V.) Grooter blijk zijner liefde toch kon Hij ons
niet geven. Jesus , mijn God, en Heer, — zoo zal dus eene
geloovige en vertrouwvolle ziel als van zelf van ganscher
harte zeggen: „Jesus, mijn God, ik bemin U boven al",
uit geheel mijn hart, niet alleen omdat Gij oneindig goed
zijt jegens ons, maar veel meer omdat Gij het opperste goed,
oneindig volmaakt zijt in ü zeiven, en desniettemin U in
eigen persoon aan mij schenkt in de H. Communie. Omdat
Gij over en over waard zijt door alle redelijke schepselen
bemind en verheerlijkt te worden (vgl. bl. 155), wensch ik,
dat alle menschen U beminnen, en ik zal in't vervolg mijnen
evennaaste beminnen gelijk mij zeiven om U. Heer, Gij weet
het, aan dit uw gebod bij uitnemendheid (vgl. Joan. XV. 12.)
ben ik vroeger zoo dikwijls, tengevolge van mijne eigenliefde,
hoovaardigheid , gemakzucht, enz., op velerlei wijze te kort
gebleven. Maar na Ü heden in de H. Communie genuttigd
te hebben, zal ik bepaald die en die liefdeloosheid te zorg-
vuldiger vermijden. Dewijl door een iegelijk onzer één en
hetzelfde brood, nl. uw lichaam onder de gedaante van brood,
genuttigd wordt, daarom zullen wij, ofschoon velen, en ver-
schillend van karakter, zienswijze, enz., eensgezind zijn, één
zijn in liefde, wij allen, die deel hebben aan het ééne brood.
(Vgl. I Br. aan de Korinth. X. 16. 17.)