Boekgegevens
Titel: Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Auteur: R.K. priester van het Bisdom van 's-Bosch, Een
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongens-Weeshuis, 1897
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1317
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206597
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: overige
Trefwoord: Geloofsleer, Catechismussen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Woord- en zinverklaring van den catechismus: vooral ten dienste van religieusen en katholieke onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
287
ontbreken mocht, o Heer, vul Gij dat aan : Kom mijn ongeloof
te hulp! {Mare. IX. 23.) Met uwe Apostelen bid ik U , o
Heer : „ Vermeerder ons het geloof** {Luc, XVII. 5.)
h) De gevoelens van hoop zullen door het verlevendigd
geloof tevens als van zelf verlevendigd worden.
Jesus , mijn God en Heer , — zoo zal een innig geloovige
zijne hoop uiten — Gij gebiedt mij met een vast vertrouwen
van U te hopen de eeuwige zaligheid en alle middelen, die
mij daartoe noodig zijn, omdat Gij zijt oneindig goed tot
ons, almachtig en getrouw in uwe beloften.
Jesus, daarom juist durf ik, hoe nietig en gebrekkig ik ook
uit mij zeiven ben , toch vol vertrouwen te Communie gaan.
Want Gij zelf hebt gewild , dat de H. Communie voor ons
zijn zou „het onderpand van onze toekomstige glorie en ö^wj^ïz^i?
zaligheid**, (Vgl. V.) Juist omdat ik zoo gebrekkig , zoo
arm aan deugden en zoo vol fouten, zoo zwak en krank
ben, kom ik tot U, mijn goddelijke geneesheer, die tot uw
groot avondmaal ook armen, lammen, blinden en kreupelen
deedt uitnoodigen, (Vgl. Lue. XIV. 21), en zelf gezegd hebt:
komt tot Mij , allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ver-
kwikken. {Matth. XI. 28.) Juist omdat Gij , o mijn God, in
dit Sacrament zelf tegenwoordig zijt, Gij, de bron aller gra-
tiën, de gever aller \\u\^midd€lent die mij noodig zijn om eeuwig
zalig ie worden, durf ik met vast vertrouwen U in de H.
Communie ontvangen; want grooter blijk, dat Gij oneindig
goed zqt tot ons, kondet Gij — alhoewel de goedheid zelve
zijnde — ons toch niet geven, dan door U zei ven aan ons
tot spijs en drank onzer ziel te geven. Juist omdat de be-
hoeften mijner ziel zoo groot zijn , nader ik met grooter ver-
trouwen tot U, omdat Gij almachtig zijt. Want juist daarom
„ Heere, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen." (Matth,
VIII. 2.) Mag ik heden , en zoo dikwijls ik nog het geluk
zal hebben te Communie te gaan, U altoos waardig ontvan-
gen, dan ben ik zeker, dat Gij U ook getrouw zult toonen